Erfbelasting 2026 berekenen: tarieven, vrijstellingen en rekenhulp

Het eerste dat over de erfbelasting duidelijk moet zijn, is wie haar betaalt. Artikel 36 Successiewet 1956 heft de belasting van de verkrijger en niet van de nalatenschap als één geheel. Twee mensen die uit dezelfde nalatenschap een gelijk bedrag verkrijgen, kunnen daardoor zeer verschillende bedragen verschuldigd zijn.
Wat ieder van hen verschuldigd is, hangt af van één verwantschap en twee getallen. Artikel 32 Successiewet 1956 geeft een vrijstelling die afhangt van de relatie tot de overledene, en artikel 24 stelt het tarief vast over wat daarna overblijft, in twee schijven met een grens bij € 158.669. Beide worden elke 1 januari opnieuw vastgesteld, en daarom is een tarieventabel zonder jaartal weinig waard.
Nog één opmerking over de terminologie, omdat een zoekopdracht in het Nederlands de grens overschrijdt. De belasting over een Nederlandse nalatenschap heet erfbelasting en wordt geheven op grond van de Successiewet 1956. De Belgische term successierechten hoort bij een ander rechtsstelsel en heeft geen betekenis voor een nalatenschap die door de Successiewet 1956 wordt beheerst.
Informatie voor het laatst gecontroleerd op 21 juli 2026. Deze pagina geeft algemene juridische informatie over het Nederlandse recht en vormt geen juridisch advies in een individueel geval.
Wat geldt voor 2026
Elk bedrag op deze pagina wordt geïndexeerd. De schijfgrens in artikel 24 en elke vrijstelling in artikel 32 worden op 1 januari opnieuw vastgesteld, zodat de bedragen hieronder zijn gelezen uit de Successiewet 1956 in de versie die op 1 januari 2026 gold. Volgend jaar januari zijn het allemaal andere getallen onder dezelfde artikelen.
De wijziging waar lezers nog steeds het meest naar vragen, is een schenkingsregel en geen erfrechtelijke regel. De jubelton, formeel de verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning van artikel 33a Successiewet 1956, bestaat niet meer. De geconsolideerde tekst van dat artikel bevat nog slechts de aantekening dat het per 1 januari 2024 is vervallen, en het bijbehorende onderdeel in de opsomming van artikel 33 is daarmee tegelijk geschrapt.
Wat in artikel 33 overblijft, is de gewone vrijstelling voor een schenking van ouder aan kind, € 6.908 voor 2026. Voor een kind tussen 18 en 40 jaar kan die eenmalig, voor één kalenderjaar, worden verhoogd tot € 33.129, of tot € 69.009 als het geld wordt besteed aan een studie of beroepsopleiding waarvan de kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk en op de verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan. Geen van beide verhoogde bedragen heeft nog iets te maken met de aankoop van een woning.
Wie wordt belast, en waarover
Artikel 5 lid 1 Successiewet 1956 heft erfbelasting over wat ieder verkrijgt, na aftrek van diens aandeel in de schulden, legaten en lasten die de wet toelaat. De eenheid van heffing is de afzonderlijke verkrijging. Een nalatenschap wordt niet eenmaal belast en daarna verdeeld.
Artikel 21 lid 1 waardeert het verkregene op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van de verkrijging. Lid 5 bevat de uitzondering waar de meeste nalatenschappen mee te maken krijgen: een woning die als zodanig in gebruik is, wordt in aanmerking genomen naar de WOZ-waarde voor het kalenderjaar van de verkrijging, of, als de verkrijger daarvoor kiest, naar de WOZ-waarde voor het daaropvolgende kalenderjaar. Die keuze verdient aandacht wanneer de huizenprijzen tussen beide jaren zijn bewogen.
Artikel 25 voegt daar een regel voor partners aan toe. Verkrijgingen krachtens erfrecht door partners worden aangemerkt als een verkrijging door één van de partners, en, als zij in graad van verwantschap verschillen, door degene die het naast tot de overledene is.
De vrijstellingen voor 2026
| Verkrijger (artikel 32 lid 1 sub 4) | Vrijstelling 2026 |
|---|---|
| Partner | € 828.035 |
| Kind dat grotendeels door de overledene werd onderhouden en dat door ziekte of gebrek de komende drie jaren buiten staat is de helft van een normaal inkomen te verdienen | € 78.671 |
| Ieder ander kind | € 26.230 |
| Kleinkind | € 26.230 |
| Ouder | € 62.110 |
| Overige verkrijgers | € 2.769 |
De opsomming is gesloten, en de vrijstelling is een schijf en geen drempel. Een verkrijging van één euro boven de vrijstelling wordt belast over die ene euro en niet over het hele bedrag. Let erop dat de regel voor kleinkinderen uitsluitend kleinkinderen betreft, wat verderop van belang wordt voor een afstammeling in de derde of een verdere graad.
Drie andere vrijstellingen uit hetzelfde artikel komen vaak aan de orde. Artikel 32 lid 1 sub 3 stelt een verkrijging door een algemeen nut beogende instelling (ANBI) geheel vrij, mits aan die verkrijging geen opdracht is verbonden die haar het karakter van algemeen nut ontneemt. Sub 8 en sub 9 doen hetzelfde voor een SBBI en een steunstichting SBBI, en sub 5 stelt de waarde van pensioenrechten en lijfrenten zelfstandig vrij.
De partnervrijstelling wordt gekort met pensioenrechten
Artikel 32 lid 2 is de regel die aan de grootste vrijstelling van de lijst komt. Verkrijgt een partner bij het overlijden pensioenrechten, lijfrenten of rechten op periodieke uitkeringen die op grond van sub 5 zijn vrijgesteld of naar hun aard niet belastbaar zijn, dan wordt de helft van de waarde daarvan op de partnervrijstelling in mindering gebracht. Aanspraken op grond van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet zijn uitdrukkelijk van die berekening uitgezonderd, zodat de AOW en de nabestaandenuitkering niet meetellen.
De korting kent een harde bodem. Na de vermindering bedraagt de partnervrijstelling voor 2026 nooit minder dan € 213.915, hoe groot de pensioenrechten ook zijn. Het vierde uitgewerkte voorbeeld hieronder laat die bodem zijn werk doen.
De tarieven voor 2026
| Belaste verkrijging | I. Partner of afstammelingen in de rechte lijn | II. Alle overige gevallen |
|---|---|---|
| € 0 tot € 158.669 | 10% | 30% |
| € 158.669 en hoger | 20% | 40% |
Twee dingen aan die tabel worden gemakkelijk verkeerd gelezen. De schijven lopen over de belaste verkrijging, dus over het bedrag dat na de vrijstelling overblijft, en niet over de bruto erfenis. En kolom I heeft als opschrift partner of afstammelingen in de rechte lijn, wat een engere groep is dan de naaste familie.
Ouders worden belast in kolom II
Ouders zijn bloedverwanten in de opgaande lijn en geen afstammelingen, zodat zij in kolom II vallen, met 30% en 40%. Artikel 32 geeft hun wel een hogere vrijstelling dan een kind, € 62.110 tegenover € 26.230, maar dat compenseert slechts een klein deel van het tariefverschil. Een ouder die van een kind erft, betaalt daardoor aanzienlijk meer dan een kind dat hetzelfde bedrag van een ouder erft.
Dit is de meest voorkomende reden waarom een lezer concludeert dat een rekenhulp voor de erfbelasting kapot is, en daarom wordt het hier met zoveel woorden gezegd in plaats van aan de ontdekking overgelaten. De wet acht de richting van de familielijn beslissend, en die loopt uitsluitend naar beneden.
Er is geen kleinkindtarief, er is een verhoging
De bekende percentages van 18% en 36% staan nergens in de Successiewet 1956. Wat artikel 24 werkelijk bevat, is noot 1 bij de tabel: voor afstammelingen in de tweede of verdere graad wordt de belasting die uit die kolom volgt, vermeerderd met 80% daarvan. De uitkomst komt vandaag overeen met 18% en 36%, maar het mechanisme is niet hetzelfde als de uitkomst.
Dat verschil is niet academisch. Als verhoging op het bedrag uit kolom I volgt de regel kolom I automatisch als de wetgever die ooit verandert, en zij treft iedere afstammeling in de tweede of verdere graad in plaats van alleen kleinkinderen. Een achterkleinkind is een afstammeling in de derde graad en valt onder dezelfde noot.
Een achterkleinkind verdient ook aan de vrijstellingskant een aparte opmerking. De regel van artikel 32 voor kleinkinderen betreft uitsluitend kleinkinderen, zodat een achterkleinkind de vrijstelling voor overige verkrijgers van € 2.769 krijgt en tegelijk wordt belast tegen de tarieven van kolom I plus de verhoging met 80%. De rekenhulp hieronder biedt die combinatie als de optie Achterkleinkind of verdere afstammeling in de keuzelijst met relaties, en past zowel de kleinere vrijstelling als de verhoging toe.
De rekenhulp past artikel 24 en artikel 32 toe voor 2026. Vul bij de waarde van de erfenis in wat één persoon verkrijgt, vóór aftrek van enige vrijstelling, en kies de relatie van die persoon tot de overledene. Is de verkrijger een partner, dan verschijnt een tweede veld voor de verkregen pensioen- en lijfrenterechten, dat de korting van artikel 32 lid 2 en de bodem daarvan aanstuurt.
Erfbelasting berekenen
Past eerst de vrijstelling toe die hoort bij uw relatie tot de overledene (artikel 32 Successiewet 1956) en daarna de twee tariefschijven van artikel 24. Uitsluitend ter indicatie: de Belastingdienst stelt de aanslag vast.
Vrijstellingen en tarieven voor 2026. De tariefschijf wisselt bij € 158.669 belastbaar bedrag. Alle bedragen worden elk jaar op 1 januari geïndexeerd.
Deze rekenhulp geeft algemene informatie en is geen juridisch of fiscaal advies in een individueel geval. De uitkomst is uitsluitend ter indicatie en houdt geen rekening met vruchtgebruik, de bedrijfsopvolgingsregeling of buitenlands vermogen. Alleen de Belastingdienst stelt een aanslag vast.
Vier uitgewerkte berekeningen
Elk voorbeeld gaat uit van één verkrijging door één persoon, zonder aftrek van schulden, legaten of lasten en zonder vruchtgebruik, zodat de rekensom zichtbaar blijft. Alle bedragen zijn de versies voor 2026.
Eén, een kind dat € 400.000 verkrijgt. De vrijstelling is € 26.230, zodat een belaste verkrijging van € 373.770 overblijft. Daarvan wordt de eerste € 158.669 belast met 10%, wat € 15.866,90 oplevert, en de resterende € 215.101 met 20%, wat € 43.020,20 oplevert. De erfbelasting bedraagt € 58.887,10, een effectief tarief van ongeveer 14,7% over de volle € 400.000.
Twee, een kleinkind op dezelfde cijfers. De vrijstelling is dezelfde € 26.230 en de berekening volgens kolom I levert dezelfde € 58.887,10 op. Noot 1 bij artikel 24 vermeerdert dat bedrag vervolgens met 80%, zodat de belasting € 58.887,10 maal 1,8 bedraagt, oftewel € 105.996,78. Alleen de verhoging kost al € 47.109,68 meer dan het kind over een gelijke erfenis betaalt.
Drie, een ouder op dezelfde cijfers. De vrijstelling voor een ouder is met € 62.110 hoger, zodat een belaste verkrijging van € 337.890 overblijft. Daarop is kolom II van toepassing: € 158.669 tegen 30% is € 47.600,70, en de resterende € 179.221 tegen 40% is € 71.688,40. Het totaal is € 119.289,10, meer dan het dubbele van wat het kind over dezelfde € 400.000 betaalt.
Vier, een partner bij wie de pensioenbodem bijt. Een partner verkrijgt € 1.000.000 en verkrijgt daarnaast pensioenrechten en lijfrenten ter waarde van € 1.400.000. De helft van die pensioenwaarde is € 700.000, wat de vrijstelling van € 828.035 zou terugbrengen tot € 128.035, maar artikel 32 lid 2 stopt de korting bij € 213.915. De belaste verkrijging is daardoor € 786.085: € 158.669 tegen 10% is € 15.866,90 en € 627.416 tegen 20% is € 125.483,20, samen € 141.350,10.
| Verkrijger | Verkrijging | Vrijstelling | Belaste verkrijging | Erfbelasting 2026 |
|---|---|---|---|---|
| Kind | € 400.000 | € 26.230 | € 373.770 | € 58.887,10 |
| Kleinkind | € 400.000 | € 26.230 | € 373.770 | € 105.996,78 |
| Ouder | € 400.000 | € 62.110 | € 337.890 | € 119.289,10 |
| Partner | € 1.000.000 | € 213.915 | € 786.085 | € 141.350,10 |
Die vier regels zijn waar de tarieventabel om draait. Dezelfde € 400.000 levert drie verschillende aanslagen op, uitsluitend afhankelijk van wie het bedrag ontvangt, en het verschil tussen de goedkoopste en de duurste daarvan ligt dicht bij € 60.000.
Wie als partner geldt
De partnervrijstelling is verreweg de grootste, zodat de definitie ertoe doet. Echtgenoten en geregistreerde partners zijn voor de Successiewet partner op grond van de algemene partnerregeling van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en meer is van hen niet vereist.
Artikel 1a Successiewet 1956 bepaalt vervolgens wanneer twee ongehuwden als partner worden aangemerkt. Gedurende de zes maanden vóór het overlijden moeten beiden meerderjarig zijn, op hetzelfde adres staan ingeschreven in de basisregistratie personen of in een daarmee vergelijkbaar buitenlands register, een wederzijdse zorgverplichting zijn aangegaan in een notarieel samenlevingscontract, geen bloedverwanten in de rechte lijn zijn en niet met een ander aan diezelfde voorwaarden voldoen.
Lid 3 versoepelt één van die voorwaarden. Het notarieel samenlevingscontract is niet vereist voor mensen die tot het overlijden gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaar op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Blijft de samenwoning daaronder en is er geen contract, dan is een achterblijvende partner een overige verkrijger, met een vrijstelling van € 2.769 en de tarieven van kolom II van 30% en 40%.
Aangifte doen en betalen
Artikel 37 lid 1 Successiewet 1956 heft de erfbelasting bij wege van aanslag, zodat de Belastingdienst de aanslag oplegt op basis van een aangifte en de verkrijger niet eenvoudigweg een zelf berekend bedrag betaalt. De verplichting rust op de erfgenamen. Artikel 72 lid 1 legt een executeur dezelfde wettelijke verplichtingen op als de erfgenamen, en lid 2 doet hetzelfde voor een door de rechter benoemde vereffenaar, en daarom doet in de meeste beheerde nalatenschappen de executeur de aangifte.
Artikel 45 lid 1 regelt de termijn, en het doet dat vanaf de andere kant dan lezers verwachten. Het verplicht de inspecteur de aangiftetermijn zo te stellen dat deze niet eerder verstrijkt dan twintig maanden na het overlijden; de Belastingdienst noemt de werkelijke datum in de aangiftebrief. Lid 2 schort die termijn van twintig maanden op zolang de nalatenschap onbeheerd is gelaten en geen vereffenaar is benoemd, en laat hem bij bepaalde latere gebeurtenissen opnieuw ingaan, zoals bij een aanvaarding na een eerdere verwerping.
De rente loopt op dezelfde klok. Artikel 30g lid 2 onderdeel a Algemene wet inzake rijksbelastingen berekent belastingrente over een aanslag erfbelasting over het tijdvak dat begint twintig maanden na het overlijden. Lid 4 brengt vervolgens in het geheel geen belastingrente in rekening, maar uitsluitend als de aanslag overeenkomstig de aangifte is vastgesteld en die aangifte is ontvangen vóór de eerste dag van de eenentwintigste maand na het overlijden. Binnen dat venster aangifte doen is op zichzelf dus niet genoeg: wijkt de Belastingdienst van de aangifte af, dan geldt het tijdvak van lid 2 en loopt de rente.
Wat een berekening als deze niet beslist
De rekensommen hierboven, en de rekenhulp die ze reproduceert, modelleren de tarieven van artikel 24 en de vrijstellingen van artikel 32. Verschillende gebruikelijke kenmerken van een werkelijke nalatenschap vallen daarbuiten, en elk daarvan verandert de belaste verkrijging voordat enig tarief wordt toegepast.
Een vruchtgebruik is het duidelijkste voorbeeld. Artikel 21 lid 11 waardeert wat onder de last van een vruchtgebruik wordt verkregen op de onbezwaarde waarde verminderd met de waarde van die last, en lid 14 laat de waarderingsregels en het te gebruiken percentage over aan een algemene maatregel van bestuur, die uitgaat van de leeftijd van de vruchtgebruiker. De splitsing tussen het vruchtgebruik en de bloot eigendom moet daarom eerst worden vastgesteld, en pas de daaruit volgende bedragen horen in een berekening thuis.
De wettelijke verdeling van artikel 4:13 BW is een tweede geval. De langstlevende echtgenoot krijgt de goederen van de nalatenschap en elk kind krijgt in plaats daarvan een geldvordering, en dat kind is bij het overlijden toch verkrijger voor de erfbelasting, ook al wordt er niets uitbetaald, waarbij artikel 21 lid 15 Successiewet 1956 die vordering in de gevallen die het beschrijft waardeert als een renteloze vordering. Hoe de verdeling zelf werkt, staat op de pagina over erven in Nederland.
Ondernemingsvermogen is het derde geval. Artikel 35b Successiewet 1956 en de artikelen daaromheen geven voorwaardelijke vrijstellingen voor bedrijfsopvolging, die afhangen van voortzettingsvoorwaarden en niet van de verwantschap, en daarvan is hier niets gemodelleerd. Behoren tot een nalatenschap een onderneming, een aanmerkelijk belang, buitenlands vermogen of een vruchtgebruik, dan zijn de uitkomsten van welke algemene berekening dan ook een vertrekpunt en geen antwoord.
Wie verkrijgt, en dus wie wordt aangeslagen, is al vóór dit alles bepaald door het testament of door de wettelijke erfopvolging. De vormvoorschriften waaraan een testament moet voldoen, staan op de pagina over het testament in Nederland, en een legitimaris verkrijgt krachtens erfrecht en wordt als verkrijger belast zoals ieder ander, wat de pagina over de legitieme portie uiteenzet. De bredere opzet van het Nederlandse erfrecht staat op de sectiepagina over erfrecht en nalatenschappen in Nederland.
Veelgestelde vragen
Hoeveel erfbelasting wordt er in Nederland geheven in 2026?
Artikel 24 Successiewet 1956 past twee schijven toe op de belaste verkrijging, met een grens bij € 158.669. Een partner en afstammelingen in de rechte lijn worden onder die grens belast met 10% en daarboven met 20%; iedere andere verkrijger wordt belast met 30% en 40%. De belaste verkrijging is wat overblijft na de vrijstelling van artikel 32 die bij die relatie hoort.
Wat is de vrijstelling erfbelasting voor een kind in 2026?
€ 26.230 op grond van artikel 32 lid 1 sub 4 onderdeel c. Een kind dat grotendeels door de overledene werd onderhouden en dat door ziekte of gebrek vermoedelijk de komende drie jaren buiten staat is om de helft te verdienen van wat een gezond persoon van dezelfde leeftijd kan verdienen, heeft op grond van onderdeel b een hogere vrijstelling van € 78.671. Beide bedragen worden elke 1 januari opnieuw geïndexeerd.
Betalen kleinkinderen 18% erfbelasting in Nederland?
De percentages 18% en 36% komen in de Successiewet 1956 niet voor. Noot 1 bij de tabel van artikel 24 bepaalt dat voor afstammelingen in de tweede of verdere graad de belasting het bedrag uit kolom I is, vermeerderd met 80% daarvan, wat op dit moment op die percentages uitkomt. Als verhoging geschreven treft de regel ook terecht een achterkleinkind, dat een afstammeling in de derde graad is.
Betalen ouders meer erfbelasting dan kinderen?
Over dezelfde verkrijging wel. Kolom I van artikel 24 ziet op een partner en op afstammelingen in de rechte lijn, en een ouder is een bloedverwant in de opgaande lijn en geen afstammeling, zodat een ouder in kolom II valt met 30% en 40%. De hogere vrijstelling voor een ouder van € 62.110 compenseert slechts een klein deel van dat verschil.
Wanneer moet de aangifte erfbelasting worden gedaan?
Artikel 45 lid 1 Successiewet 1956 verplicht de inspecteur de aangiftetermijn zo te stellen dat deze niet eerder verstrijkt dan twintig maanden na het overlijden, en de Belastingdienst noemt de werkelijke datum in de aangiftebrief. Artikel 30g lid 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen brengt geen belastingrente in rekening als de aangifte de Belastingdienst bereikt vóór de eerste dag van de eenentwintigste maand na het overlijden.
Bestaat de jubelton nog?
Nee. De verhoogde schenkingsvrijstelling voor een eigen woning stond in artikel 33a Successiewet 1956, en de geconsolideerde tekst van dat artikel vermeldt nog uitsluitend dat het per 1 januari 2024 is vervallen. De gewone vrijstelling voor een schenking van ouder aan kind in artikel 33 blijft bestaan, voor 2026 op € 6.908, met een eenmalig verhoogd bedrag voor een kind tussen 18 en 40 jaar, maar zij is niet langer aan een woning gekoppeld.
Geldt een ongehuwde partner als partner voor de erfbelasting?
Alleen onder de voorwaarden van artikel 1a Successiewet 1956. Gedurende de zes maanden vóór het overlijden moeten beiden meerderjarig zijn, op hetzelfde adres staan ingeschreven, een wederzijdse zorgverplichting zijn aangegaan in een notarieel samenlevingscontract, geen bloedverwanten in de rechte lijn zijn en niet met een ander aan die voorwaarden voldoen. Lid 3 laat de eis van het contract vervallen voor mensen die tot het overlijden vijf jaar onafgebroken op hetzelfde adres stonden ingeschreven.
Wie betaalt de erfbelasting, de nalatenschap of de erfgenamen?
De verkrijger. Artikel 36 Successiewet 1956 heft de belasting van de verkrijger en artikel 37 lid 1 doet dat bij wege van aanslag, zodat de aanslag de persoon volgt en niet de nalatenschap. Artikel 72 lid 1 legt een executeur dezelfde wettelijke verplichtingen op als de erfgenamen, en daarom doet de executeur meestal de aangifte.
Bronnen en referenties
- Artikel 5 Successiewet 1956, erfbelasting over hetgeen ieder verkrijgt(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1a Successiewet 1956, wanneer twee ongehuwden als partner worden aangemerkt(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 21 Successiewet 1956, waardering, WOZ-waarde van een woning en de last van een vruchtgebruik(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 24 Successiewet 1956, tarief erfbelasting en de verhoging met 80% voor afstammelingen in de tweede of verdere graad(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 25 Successiewet 1956, verkrijgingen krachtens erfrecht door partners(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 32 Successiewet 1956, vrijstellingen erfbelasting en de pensioenimputatie van lid 2(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 33 Successiewet 1956, vrijstellingen schenkbelasting, met de bedragen voor 2026(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 33a Successiewet 1956, de schenkingsvrijstelling eigen woning, vervallen per 1 januari 2024(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 35b Successiewet 1956, de voorwaardelijke vrijstelling bij bedrijfsopvolging(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 36 en artikel 37 Successiewet 1956, heffing van de verkrijger bij wege van aanslag(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 45 Successiewet 1956, de termijn voor het doen van aangifte voor de erfbelasting(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 72 Successiewet 1956, verplichtingen van executeurs en van benoemde vereffenaars(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 30g Algemene wet inzake rijksbelastingen, belastingrente bij de erfbelasting(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:13 BW, de wettelijke verdeling en de geldvordering van de kinderen(wetten.overheid.nl).gov