Legitieme portie 2026 berekenen: wie is legitimaris en de vervaltermijn

De legitieme portie is het deel van de nalatenschap van een overledene waarop een afstammeling aanspraak kan maken, ongeacht wat het testament bepaalt. Het is de reden waarom een Nederlands testament een kind niet volledig kan onterven, en het is tegelijk de meest verkeerd begrepen regel in het Nederlandse erfrecht.
Het misverstand zit in de vraag wie er recht op heeft. De legitieme portie komt alleen aan afstammelingen toe, zodat een achtergebleven echtgenoot of geregistreerd partner die in een testament wordt overgeslagen, helemaal geen legitieme portie heeft en op geheel andere bepalingen is aangewezen.
Informatie voor het laatst gecontroleerd op 21 juli 2026. Deze pagina geeft algemene juridische informatie over het Nederlandse recht en vormt geen juridisch advies in een individueel geval.
Alleen afstammelingen zijn legitimaris
Artikel 4:63 lid 1 BW omschrijft de legitieme portie als het deel van de waarde van de goederen van de overledene waarop een legitimaris aanspraak kan maken, ongeacht giften en makingen. Lid 2 bepaalt vervolgens wie dat is.
Legitimarissen zijn de afstammelingen van de overledene die door de wet tot de nalatenschap worden geroepen, hetzij uit eigen hoofde, hetzij door plaatsvervulling voor personen die niet meer bestaan op het ogenblik waarop de nalatenschap openvalt of die onwaardig zijn. Niemand anders komt in aanmerking.
De achtergebleven echtgenoot of geregistreerd partner is dus geen legitimaris. Dit is het punt waarop advies over Nederlandse nalatenschappen het vaakst misgaat, en het verandert de hele aanpak van een zaak, want een weduwe of weduwnaar die in een testament wordt overgeslagen, heeft geen legitieme portie om op te beroepen.
Wat de echtgenoot in plaats daarvan heeft, zijn afzonderlijke wettelijke rechten. Artikel 4:29 lid 1 BW verplicht de erfgenamen mee te werken aan een vruchtgebruik op de woning waarin de echtgenoten samenwoonden en de inboedel daarvan, en artikel 4:30 lid 1 BW breidt dat uit tot andere goederen van de nalatenschap voor zover de echtgenoot die nodig heeft voor zijn verzorging.
Ook ouders en broers en zussen hebben geen legitieme portie. Zij zijn geen afstammelingen, zodat een testament dat hun niets toekent, hun ook daadwerkelijk niets laat.
Een geldvordering, geen aandeel in de goederen
Artikel 4:80 lid 1 BW is de bepaling die dit regelt. Een legitimaris die zijn legitieme portie opeist, heeft een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen, of op de echtgenoot als de nalatenschap is verdeeld volgens artikel 4:13 BW.
Daaruit volgt geen recht op bepaalde goederen. Een legitimaris kan niet het huis, een aandeel in de onderneming of een specifiek schilderij opeisen, en kan de erfgenamen niet beletten deze te verkopen.
Lid 2 begrenst de aansprakelijkheid. De erfgenamen, of de echtgenoot na een verdeling volgens artikel 4:13 BW, hoeven de vorderingen niet te voldoen voor zover deze samen de waarde van de nalatenschap te boven gaan, en waar dat plafond wordt bereikt, wordt elke vordering naar evenredigheid verminderd.
De waarde van de nalatenschap is voor dit doel de waarde van de goederen van de nalatenschap verminderd met de schulden genoemd in artikel 4:7 lid 1 onder a, b, c en f BW. Een zwaar met schulden belaste nalatenschap levert dus een kleine legitieme portie op, of zelfs geen enkele, wat het testament ook bepaalde.
De helft berekenen
Artikel 4:64 lid 1 BW stelt de legitieme portie van een kind op de helft van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door het aantal personen genoemd in artikel 4:10 lid 1 onder a BW dat de overledene heeft achtergelaten. Die groep bestaat uit de echtgenoot samen met de kinderen.
De deling gebeurt naar het aantal achtergelaten personen, niet naar het aantal personen dat een aanspraak maakt. Een achtergebleven echtgenoot telt mee in de noemer, ook al heeft die echtgenoot zelf geen legitieme portie, en dat is de reden waarom de legitieme portie kleiner uitvalt als een ouder in leven blijft.
Lid 2 regelt het geval van een vooroverleden kind. De afstammelingen van een kind dat niet meer bestaat op het ogenblik waarop de nalatenschap openvalt, worden gezamenlijk als één achtergelaten kind geteld, en ieder van hen kan alleen opkomen voor zijn eigen aandeel daarin.
Artikel 4:65 BW legt vervolgens de grondslag vast. De legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de giften die meetellen volgens de volgende bepalingen en verminderd met de schulden genoemd in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en onder f BW. De tweede zin haalt daar één categorie weer uit: giften waaruit schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder i BW zijn ontstaan, blijven buiten beschouwing.
Die aftreklijst is korter dan de lijst van schulden van de nalatenschap. Erfbelasting, genoemd in artikel 4:7 lid 1 onder e BW, wordt niet afgetrokken, zodat de legitieme portie wordt berekend vóór de belasting die de verkrijgers afzonderlijk verschuldigd zijn.
Een uitgewerkt voorbeeld. Iemand overlijdt en laat een echtgenoot en twee kinderen achter, met goederen van de nalatenschap ter waarde van € 400.000, geen giften en geen aftrekbare schulden, en een testament dat alles aan een derde toekent.
De grondslag is € 400.000, waarvan de helft € 200.000 is. De achtergelaten personen volgens artikel 4:10 lid 1 onder a BW zijn er drie: de echtgenoot en de twee kinderen, zodat de legitieme portie van elk kind € 66.666,67 bedraagt.
Geen van beide kinderen verkrijgt iets krachtens het testament, zodat er niets wordt afgetrokken op grond van artikel 4:71 BW. De vordering van elk kind bedraagt, eenmaal ingeroepen, € 66.666,67 in geld op de erfgenamen volgens artikel 4:80 lid 1 BW.
Giften die worden bijgeteld
Artikel 4:67 BW somt de giften op die in de berekening worden betrokken, en die lijst is ruimer dan de meeste mensen verwachten:
- giften die kennelijk zijn gedaan en aanvaard met het doel legitimarissen te benadelen (onder a)
- giften die de overledene tijdens zijn leven te allen tijde kon herroepen, of die vatbaar voor inkorting zijn verklaard (onder b)
- giften van een genot dat pas na het overlijden ten volle zou toekomen (onder c)
- giften aan een afstammeling, mits die persoon of een afstammeling van hem legitimaris van de overledene is (onder d)
- elke andere gift, voor zover die binnen vijf jaar vóór het overlijden is volbracht (onder e)
Onderdeel d kent in het geheel geen termijn. Een gift aan een kind van dertig jaar vóór het overlijden telt nog steeds mee in de berekening, terwijl een gift aan een vriend of een goed doel alleen meetelt als die binnen de termijn van vijf jaar uit onderdeel e valt.
Artikel 4:66 lid 1 BW waardeert giften op het ogenblik van de volbrenging, zonder rekening te houden met een eventuele bevoegdheid van de overledene om ze te herroepen. Lid 2 waardeert anders de giften waarbij de overledene het genot tijdens zijn leven behield, of waarbij het genot pas na het overlijden ten volle zou toekomen, en neemt daarbij de waarde onmiddellijk na het overlijden.
Artikel 4:68 BW laat giften aan de echtgenoot van de overledene buiten beschouwing voor zover er geen verrijking ten koste van de gever heeft plaatsgevonden vanwege een gemeenschap van goederen of een destijds tussen hen geldend verrekenbeding.
Artikel 4:69 lid 1 BW sluit nog twee categorieën uit: giften aan personen jegens wie de overledene een morele verplichting tot ondersteuning had, voor zover deze uit die verplichting voortvloeiden en overeenstemden met het inkomen en vermogen van de overledene, en gebruikelijke giften die niet overdreven waren.
Wat in mindering komt op de eigen legitieme portie
Artikel 4:70 lid 1 BW brengt de waarde van giften die de overledene aan een legitimaris heeft gedaan, in mindering op de eigen legitieme portie van die legitimaris. Lid 2 rekent giften gedaan aan een afstammeling die legitimaris zou zijn geweest, toe aan de legitimarissen die van hem afstammen, naar evenredigheid van hun legitieme porties.
Artikel 4:71 BW brengt de waarde in mindering van alles wat een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt. Een kind aan wie bij testament een kwart van de nalatenschap is nagelaten, vordert daarom alleen het eventuele verschil tussen dat kwart en de legitieme portie.
Artikel 4:72 BW breidt de aftrek uit tot wat een legitimaris als erfgenaam had kunnen verkrijgen maar heeft verworpen, met beperkte uitzonderingen als de goederen onder een voorwaarde, een last of een bewind waren nagelaten, of als de legitimaris was belast met legaten die iets anders vereisten dan een betaling in geld of een overdracht van goederen van de nalatenschap, en de verwerping binnen drie maanden na het overlijden plaatsvond.
Artikel 4:73 BW doet hetzelfde voor een verworpen legaat van een bepaalde geldsom of van goederen van de nalatenschap die geen vorderingen zijn, eveneens met uitzonderingen, onder meer als het legaat later dan zes maanden na het overlijden opeisbaar wordt.
Een tweede uitgewerkt voorbeeld. Goederen van de nalatenschap ter waarde van € 350.000; een gift van € 50.000 gedaan aan een van twee kinderen vier jaar vóór het overlijden, die meetelt volgens artikel 4:67 onder d BW; aftrekbare schulden volgens artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en onder f BW van € 20.000; een achtergebleven echtgenoot en die twee kinderen.
De grondslag is € 350.000 plus € 50.000 minus € 20.000, dus € 380.000. De helft daarvan is € 190.000, gedeeld door de drie achtergelaten personen, wat een legitieme portie van € 63.333,33 voor elk kind oplevert.
Bij het kind dat de gift heeft ontvangen, wordt vervolgens € 50.000 in mindering gebracht volgens artikel 4:70 lid 1 BW, zodat een vordering van € 13.333,33 overblijft. De vordering van het andere kind blijft € 63.333,33, verminderd met wat dat kind krachtens het testament verkrijgt.
Wanneer de vordering daadwerkelijk kan worden geïnd
Artikel 4:81 lid 1 BW stelt in elk geval een ondergrens: de vordering is niet opeisbaar voordat zes maanden sinds het overlijden zijn verstreken. Die termijn bestaat zodat de nalatenschap in kaart kan worden gebracht voordat iemand hoeft te betalen.
Lid 2 is de bepaling die in de praktijk het meest van belang is. Als de nalatenschap is verdeeld volgens artikel 4:13 BW, wordt de vordering pas opeisbaar als de echtgenoot failliet wordt verklaard, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op hem van toepassing wordt verklaard, of de echtgenoot overlijdt.
Datzelfde lid sluit af met een beperking die in het voordeel van de eiser werkt. Voor zover de vordering rust op een legaat aan iemand anders dan de echtgenoot, bepaalt de slotzin van artikel 4:81 lid 2 BW dat de eerste zin niet leidt tot een later tijdstip van opeisbaarheid dan lid 1 al geeft, zodat dat deel van de vordering zes maanden na het overlijden inbaar is in plaats van pas bij het overlijden van de echtgenoot.
Een kind dat door een eerst overleden ouder is onterfd, in een nalatenschap waarop de wettelijke verdeling van toepassing is, kan dus doorgaans pas iets innen als de langstlevende ouder overlijdt, voor zover de vordering op de echtgenoot rust. De vordering bestaat en staat qua bedrag vast, maar blijft intussen onbetaald.
De leden 3 en 4 zijn twee verschillende opschortingen, geen ene. Lid 3 maakt de vordering niet opeisbaar zolang goederen van de nalatenschap nog met een vruchtgebruik volgens artikel 4:29 of artikel 4:30 BW kunnen worden belast. Lid 4 geldt zodra zo'n vruchtgebruik bestaat, en dan alleen voor zover de echtgenoot voor de vordering is gebonden, en maakt de vordering weer opeisbaar als de echtgenoot failliet wordt verklaard of de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op de echtgenoot van toepassing wordt verklaard.
Artikel 4:82 BW laat de overledene het uitstel al in het testament inbouwen. Aan een uiterste wilsbeschikking ten gunste van een echtgenoot die niet van tafel en bed is gescheiden, kan de voorwaarde worden verbonden dat de vordering van een legitimaris die op de echtgenoot rust, pas opeisbaar is na het overlijden van de echtgenoot. Dezelfde voorwaarde kan worden verbonden aan een uiterste wilsbeschikking ten gunste van een andere levensgezel, maar alleen als die persoon een gemeenschappelijke huishouding met de overledene voerde en een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst was aangegaan.
Artikel 4:83 BW gaat verder en laat het testament de opeisbaarheid koppelen aan andere omstandigheden dan die in de artikelen 4:81 lid 2 en 4:82 BW. Artikel 4:84 BW compenseert vervolgens het wachten: de vordering wordt verhoogd met het deel van de wettelijke rente boven zes procent, per jaar vanaf de dag waarop de legitieme portie is opgeëist, berekend over de hoofdsom alleen.
De termijn van vijf jaar
Artikel 4:85 lid 1 BW is de harde grens, en het missen ervan maakt een einde aan het recht zelf, en niet slechts aan de handhaving ervan. De mogelijkheid om de legitieme portie op te eisen vervalt als de legitimaris niet binnen een door een belanghebbende gestelde redelijke termijn heeft verklaard deze te willen ontvangen, en uiterlijk vijf jaar na het overlijden van de overledene.
Die zin bevat twee onderdelen en beide tellen. De vijf jaar lopen vanaf het overlijden, niet vanaf het voorlezen van het testament, niet vanaf het ogenblik waarop de vordering inbaar wordt en niet vanaf het ogenblik waarop de legitimaris ontdekt dat hij is onterfd.
Het andere onderdeel wordt gemakkelijk over het hoofd gezien. Een belanghebbende, doorgaans een erfgenaam of de executeur, kan een redelijke termijn stellen die ruim binnen de vijf jaar afloopt, en het laten verstrijken van die kortere termijn maakt een einde aan het recht net zo effectief.
Lid 2 voegt een termijn van negen maanden toe voor één specifiek onderdeel van de vordering. Als negen maanden na het overlijden nog niet vaststaat of de echtgenoot een vruchtgebruik volgens artikel 4:30 BW zal inroepen, vervalt het deel van de vordering dat op de echtgenoot zou rusten, tenzij de legitimaris binnen die termijn aan de echtgenoot heeft verklaard de legitieme portie te willen ontvangen.
Artikel 4:86 BW verlegt het beginpunt in één geval: als op de overledene een regeling voor vermisten uit afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 BW van toepassing was, lopen de termijnen uit de artikelen 4:81 lid 1 en 4:85 leden 1 en 2 BW vanaf de dag waarop de betreffende rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden.
De legitieme portie inroepen, en wat er gebeurt als een erfgenaam verwerpt
Wat vereist is, is een verklaring dat de legitimaris zijn legitieme portie wenst te ontvangen, afgelegd binnen de termijnen van artikel 4:85 BW. Niets in de wet vereist dat de verklaring via een procedure gaat, en een schriftelijke verklaring aan de erfgenamen of de executeur is de gebruikelijke weg.
Artikel 4:87 lid 1 BW bepaalt vervolgens waar het geld vandaan komt. De schulden aan legitimarissen worden eerst voldaan uit het gedeelte van de nalatenschap waarover de overledene niet bij erfstelling of legaat heeft beschikt, voordat de beschikkingen die het testament wel bevat, worden verminderd.
Een legitimaris die tevens erfgenaam is, moet een keuze maken over de nalatenschap als geheel. Artikel 4:63 lid 3 BW bepaalt dat een legitimaris die de nalatenschap verwerpt, het recht op de legitieme portie verliest, tenzij hij bij het afleggen van de verklaring volgens artikel 4:191 BW tevens verklaart deze te willen ontvangen.
Die combinatie is precies waarvoor artikel 4:63 lid 3 BW bestaat als de nalatenschap insolvent is of kan zijn, want zij scheidt de legitieme portie van de aansprakelijkheid die bij het erfgenaamschap hoort. De keuze om te aanvaarden of te verwerpen, en het gevolg van elk, staat op de pagina over erfrecht in Nederland.
Een legitieme portie wordt krachtens erfrecht verkregen, zodat erfbelasting wordt geheven van de legitimaris als verkrijger op grond van artikel 36 Successiewet 1956; de pagina over erfbelasting in Nederland zet de geldende tarieven en vrijstellingen uiteen.
De vormvereisten waaraan een testament moet voldoen voordat dit alles speelt, staan op de pagina over testamenten in Nederland, en de bredere opzet van het Nederlandse erfrecht op de sectiepagina erfrecht en nalatenschappen en het overzicht van het Nederlandse recht.
Veelgestelde vragen
Heeft een achtergebleven echtgenoot een legitieme portie in Nederland?
Nee. Artikel 4:63 lid 2 BW beperkt de legitimarissen tot de afstammelingen van de overledene die door de wet tot de nalatenschap worden geroepen, uit eigen hoofde of door plaatsvervulling, en een echtgenoot of geregistreerd partner is geen afstammeling. Een echtgenoot die in een testament wordt overgeslagen, heeft in plaats daarvan andere wettelijke rechten, met name het vruchtgebruik van de woning volgens artikel 4:29 BW en van verdere goederen die hij nodig heeft voor zijn verzorging volgens artikel 4:30 BW.
Hoeveel bedraagt de legitieme portie in Nederland?
Artikel 4:64 lid 1 BW stelt de legitieme portie van een kind op de helft van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door het aantal personen genoemd in artikel 4:10 lid 1 onder a BW dat de overledene heeft achtergelaten, dat wil zeggen de echtgenoot en de kinderen samen. In een nalatenschap met een achtergebleven echtgenoot en twee kinderen is de legitieme portie van elk kind dus de helft van een derde van de rekengrondslag, wat neerkomt op een zesde daarvan.
Kan een ouder een kind onterven in Nederland?
Een kind kan als erfgenaam worden uitgesloten, maar niet met lege handen worden achtergelaten. Artikel 4:63 lid 1 BW geeft een legitimaris een aanspraak op een deel van de waarde van de goederen van de overledene, ongeacht giften en makingen, en artikel 4:80 lid 1 BW maakt daarvan een geldvordering op de erfgenamen. Wat onterving verandert, is het karakter van de positie: het kind is niet langer erfgenaam met zeggenschap over de nalatenschap, maar wordt schuldeiser ervan.
Hoe lang is er de tijd om een legitieme portie op te eisen?
Artikel 4:85 lid 1 BW geeft een uiterste termijn van vijf jaar na het overlijden van de overledene, waarbinnen de legitimaris moet hebben verklaard de legitieme portie te willen ontvangen. Diezelfde bepaling laat een belanghebbende een redelijke termijn stellen die eerder afloopt, zodat op de vijf jaar niet kan worden vertrouwd als zo'n aanmaning is gedaan. Artikel 4:85 lid 2 BW voegt een termijn van negen maanden toe voor het deel van de vordering dat op de achtergebleven echtgenoot zou rusten als nog niet vaststaat of de echtgenoot een vruchtgebruik volgens artikel 4:30 BW zal inroepen.
Kan een onterfd kind de legitieme portie meteen opeisen?
Niet meteen, en vaak jarenlang niet. Artikel 4:81 lid 1 BW maakt de vordering pas na zes maanden na het overlijden opeisbaar, en als de nalatenschap is verdeeld volgens artikel 4:13 BW, stelt artikel 4:81 lid 2 BW de opeisbaarheid uit tot de achtergebleven echtgenoot overlijdt, failliet wordt verklaard of tot de WSNP wordt toegelaten. Dat uitstel kent een grens: voor zover de vordering rust op een legaat aan iemand anders dan de echtgenoot, houdt de slotzin van artikel 4:81 lid 2 BW dat deel bij de termijn van zes maanden uit lid 1. Artikel 4:84 BW verhoogt de vordering intussen met het deel van de wettelijke rente boven zes procent, gerekend vanaf de dag waarop de vordering is opgeëist.
Tellen giften die vóór het overlijden zijn gedaan mee voor de legitieme portie?
Sommige wel. Artikel 4:67 BW telt bij: giften die kennelijk zijn gedaan en aanvaard met het doel legitimarissen te benadelen, giften die de overledene altijd kon herroepen of die vatbaar voor inkorting zijn verklaard, giften van een genot dat pas na het overlijden ten volle zou toekomen, giften aan een afstammeling mits die persoon of een afstammeling van hem legitimaris is, en elke andere gift die binnen vijf jaar vóór het overlijden is volbracht. Artikel 4:69 BW sluit giften uit die voortvloeien uit een morele onderhoudsverplichting en gebruikelijke giften die niet overdreven waren.
Hoe wordt een legitieme portie precies ingeroepen, en tegen wie?
Door een verklaring dat de legitimaris zijn legitieme portie wenst te ontvangen, afgelegd binnen de termijnen van artikel 4:85 BW. Artikel 4:80 lid 1 BW richt de vordering die daaruit ontstaat op de gezamenlijke erfgenamen, of op de achtergebleven echtgenoot als de nalatenschap is verdeeld volgens artikel 4:13 BW, en lid 2 begrenst wat zij moeten betalen tot de aldaar omschreven waarde van de nalatenschap, waarbij concurrerende vorderingen naar evenredigheid worden verminderd als dat plafond wordt bereikt.
Wat gebeurt er met de legitieme portie als de legitimaris de nalatenschap verwerpt?
Artikel 4:63 lid 3 BW bepaalt dat verwerping het recht op de legitieme portie tenietdoet, tenzij de legitimaris tegelijk met de verklaring volgens artikel 4:191 BW verklaart deze te willen ontvangen. Artikel 4:72 BW brengt vervolgens hoe dan ook de waarde in mindering van wat hij als erfgenaam had kunnen verkrijgen, met beperkte uitzonderingen voor goederen die onder een voorwaarde, een last of een bewind waren nagelaten.
Bronnen en referenties
- Artikel 4:63 BW, de legitieme portie en wie legitimaris is(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:64 BW, de helft van de waarde gedeeld door de achtergelaten personen(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:65 BW, de grondslag waarover de legitieme porties worden berekend(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:66 BW, waardering van giften(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:67 BW, welke giften in aanmerking worden genomen(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:69 BW, giften die niet als gift worden beschouwd(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:70 BW, giften aan een legitimaris komen in mindering van diens legitieme portie(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:71 BW, hetgeen krachtens erfrecht wordt verkregen komt in mindering(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:80 BW, een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:81 BW, opeisbaarheid: zes maanden en de wettelijke verdeling(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:82 BW, uitstel van opeisbaarheid ten behoeve van de echtgenoot(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:85 BW, verval na vijf jaren en de termijn van negen maanden(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:13 BW, de wettelijke verdeling waaraan de opeisbaarheid is gekoppeld(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:29 BW, vruchtgebruik van de woning en de inboedel voor de echtgenoot(wetten.overheid.nl).gov