Opnames als bewijs in Nederland: artikel 152 Rv

Het Nederlandse burgerlijk procesrecht kent een opvallend open bewijsstelsel. Artikel 152 lid 1 Rv bepaalt dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd, tenzij de wet anders bepaalt, en lid 2 laat de waardering van dat bewijs over aan het oordeel van de rechter.
Daarom duikt een opname zo vaak op in een arbeidsgeschil, burengeschil of contractgeschil. Het betekent ook dat de interessante vraag zelden is of een opname wel in het dossier mag, maar wat er gebeurt als de opname onrechtmatig is verkregen, en hoeveel gewicht die dan nog in de schaal legt.
Informatie voor het laatst gecontroleerd op 21 juli 2026. Deze pagina geeft algemene juridische informatie over het Nederlandse recht en vormt geen juridisch advies in een individueel geval.
Vrij bewijs en vrije bewijswaardering
Artikel 152 Rv bestaat uit twee onderdelen met elk een eigen functie. Lid 1 regelt de vrije bewijsleer: bewijs kan door alle middelen worden geleverd, tenzij de wet anders bepaalt. Lid 2 regelt de vrije bewijswaardering: de waardering van het bewijs is overgelaten aan het oordeel van de rechter, wederom tenzij de wet anders bepaalt.
Er bestaat geen gesloten lijst van toegestane bewijsmiddelen, en geen formele hiërarchie die een document boven een opname plaatst of een getuige boven een foto. Een rechter kan een opname aanvaarden, er doorslaggevende betekenis aan toekennen, of net zo goed vaststellen dat die niets toevoegt.
Artikel 153 Rv voegt daar één noemenswaardige grens aan toe. Een overeenkomst die afwijkt van het wettelijke bewijsrecht blijft buiten toepassing voor zover het gaat om feiten die rechtsgevolgen in het leven roepen waarover partijen niet vrijelijk kunnen beschikken.
Onrechtmatig verkregen bewijs in civiele procedures
Het uitgangspunt in civiele procedures is niet uitsluiting. In het arrest van 18 april 2014 oordeelde de Hoge Raad dat in een civiele procedure niet als algemene regel geldt dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan.
De Hoge Raad zette de redenering daarachter uiteen: in beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, en het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, belangen die mede aan artikel 152 Rv ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs.
Alleen bij bijkomende omstandigheden is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd. De Hoge Raad plaatste dit uitdrukkelijk in het verlengde van een vaste lijn, met een verwijzing naar de eerdere arresten van 7 februari 1992 en 12 februari 1993.
Dat aanknopingspunt is ECLI:NL:HR:2014:942, r.o. 5.2.3. De zaak zelf betrof een verzekeraar die een persoonlijk onderzoek had laten instellen naar een verzekerde, en hetzelfde arrest houdt in dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zonder rechtvaardigingsgrond het aldus verkregen materiaal onrechtmatig verkregen maakt.
De uitkomst van die zaak is het onderdeel dat het vaakst wordt weggelaten. Aan die drempel was voldaan. Het hof liet de resultaten van het persoonlijk onderzoek buiten beschouwing, en de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verzekeraar en liet de uitsluiting in stand (r.o. 5.4.2, verwerpt het beroep).
Het hof baseerde zich niet enkel op de onrechtmatigheid zelf. Het hof nam het doel van de zelfregulerende Gedragscode Persoonlijk Onderzoek van de verzekeraars in aanmerking, met de redenering dat het niet strookt met het doel van zelfregulering om een verzekeraar die de code schendt te belonen door het bewijs in haar voordeel te laten werken. Het voegde daaraan toe dat de verzekeraar onvoldoende gebruik had gemaakt van minder ingrijpende manieren om haar vermoeden te toetsen, en dat niet kon worden gezegd dat de verzekerde de onbehoorlijke wijze van bewijsgaring had uitgelokt (r.o. 3.4.6).
De praktische vormgeving van de regel is dus een hoofdregel met een uitzondering die reëel is en niet slechts theoretisch. Onrechtmatige verkrijging op zichzelf haalt het materiaal niet uit het dossier, en een partij die uitsluiting vraagt, moet iets aanwijzen dat verder gaat dan de onrechtmatigheid zelf.
Of een opname rechtmatig was, is een aparte vraag
Het is zinvol twee vragen uit elkaar te houden, omdat ze onder ander recht worden beoordeeld en tot een verschillende uitkomst kunnen leiden.
De eerste vraag is of het maken van de opname rechtmatig was. Voor geluid draait dat om artikel 139a en artikel 139b Sr: het opnemen is alleen strafbaar voor wie geen deelnemer aan het gesprek is én niet in opdracht van een deelnemer handelt, terwijl het afluisteren alleen vraagt naar de opdracht van een deelnemer. Voor beeld draait het om artikel 139f Sr, dat helemaal geen deelnemersuitzondering kent. De details staan op het opnemen van gesprekken.
De tweede vraag is of de opname als bewijs mag worden gebruikt, de artikel 152 Rv-vraag die hierboven is behandeld. Een rechtmatig gemaakte opname is niet automatisch doorslaggevend, en een onrechtmatig gemaakte opname wordt niet automatisch uitgesloten.
Achter beide vragen schuilt een derde. De gegevensbescherming begint niet pas bij het delen van een opname: artikel 4 lid 2 AVG rekent verzamelen en vastleggen al tot verwerking, zodat de AVG van toepassing wordt zodra de opname wordt gemaakt en van toepassing blijft bij het bewaren, kopiëren en verstrekken van het bestand, tenzij het gaat om een zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteit onder artikel 2 lid 2 onder c AVG. Als het materiaal onrechtmatig is verkregen, kan artikel 139e Sr ook van toepassing zijn op het voorhanden hebben of doorgeven ervan.
De strafrechtelijke positie is anders
Strafprocedures worden beheerst door het Wetboek van Strafvordering en niet door artikel 152 Rv, en de bepaling die daarbij meestal wordt aangehaald is artikel 359a Sv. Die is beperkter dan vaak wordt gesuggereerd.
Artikel 359a lid 1 Sv is van toepassing als blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormvoorschriften niet zijn nageleefd, het verzuim niet meer kan worden hersteld, en de wet zelf niet in de rechtsgevolgen voorziet.
Is dat het geval, dan kan de rechter de straf verminderen naar evenredigheid van de ernst van het verzuim, bepalen dat de resultaten van het onderzoek dat door het verzuim is verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs, of het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren als het verzuim een eerlijk proces onmogelijk maakt.
Artikel 359a lid 2 Sv draagt de rechter op rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt. De bepaling richt zich op het optreden van de opsporingsautoriteiten, zodat er geen algemene regel uit valt af te leiden over een opname die door een particulier is gemaakt, en de bepaling werkt evenmin door in civiele procedures.
De beoordeling van particulier verkregen onrechtmatig materiaal in een strafzaak ligt daarmee bij de strafrechter die het voorliggende bewijs weegt, en niet bij een uitsluitingsregel in artikel 359a Sv. Hoe die beoordeling plaatsvindt, is een strafprocesrechtelijke vraag die buiten het bestek van deze pagina valt.
Wat een opname in de praktijk bruikbaar maakt
Omdat artikel 152 lid 2 Rv het gewicht van bewijs overlaat aan de rechter, telt de kwaliteit van de opname net zo zwaar als de toelaatbaarheid ervan. Een dossier dat meer vragen oproept dan het beantwoordt, is weinig waard, ook als niemand er bezwaar tegen maakt. De onderstaande punten zijn praktische observaties over hoe een opname in een dossier wordt beoordeeld, geen wettelijke vereisten.
Geen van deze punten maakt een onrechtmatig gemaakte opname alsnog rechtmatig. Een opname die in strijd met artikel 139a, artikel 139b of artikel 139f Sr is gemaakt, kan als bewijs worden aanvaard en toch de maker blootstellen aan strafvervolging, aan een vordering op grond van artikel 6:162 BW, of aan handhaving door de Autoriteit Persoonsgegevens.
Vier factoren bepalen doorgaans hoever een opname draagt.
- Wie er spreekt, kan worden vastgesteld. Een opname waarin de stemmen niet aan personen kunnen worden toegeschreven, bewijst minder dan hetzelfde gesprek verklaard door een getuige die kan worden ondervraagd.
- Wanneer de opname is gemaakt, kan worden vastgesteld. Een datum en tijdstip die kunnen worden getoetst aan ander materiaal in het dossier, zoals een agenda-afspraak of een e-mail, wegen zwaarder dan een kale bestandsdatum.
- De opname is ononderbroken. Een ononderbroken opname van een heel gesprek roept minder bezwaren op dan een kort fragment, omdat van een fragment altijd kan worden gezegd dat de context eromheen verloren is gegaan.
- Het origineel is bewaard. Het bewaren van het oorspronkelijke bestand, in plaats van alleen een opnieuw gecodeerde kopie of een transcript, houdt het materiaal controleerbaar.
Een transcript is een handig hulpmiddel, maar geen vervanging. Het bewijs is de opname zelf, en een transcript is de weergave daarvan door één van de partijen.
Waar de zaak wordt behandeld, en wat de andere partij ziet
Voor arbeidsgeschillen is de kantonrechter de bevoegde rechter. Artikel 93 sub c Rv wijst zaken over een arbeidsovereenkomst, een CAO, een agentuur-, huur- of consumentenkoopovereenkomst en consumentenkrediet toe aan de kantonrechter, telkens ongeacht het beloop of de waarde van de vordering.
Het bedrag van € 25.000 in artikel 93 sub a Rv is een afzonderlijke en zelfstandige bevoegdheidsgrond voor geldvorderingen in het algemeen. Het bedrag begrenst de categorieën van sub c niet, zodat een grote arbeids- of huurvordering toch bij de kantonrechter blijft.
Bewijs dat aan de rechter wordt voorgelegd, is niet voorbehouden aan de partij die het inbrengt. Artikel 19 lid 1 Rv verplicht de rechter partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten, en zich uit te laten over alle stukken en andere gegevens die ter kennis van de rechter zijn gebracht.
Dezelfde bepaling verbiedt de rechter een beslissing ten nadele van een partij te baseren op materiaal waarover die partij zich onvoldoende heeft kunnen uitlaten. Het inbrengen van een opname betekent dus dat de andere partij deze te zien krijgt en erop kan reageren.
Het bredere kader van het Nederlandse opname- en toezichtrecht staat op de sectiepagina Nederlandse opnamewetgeving, en een kortere landensamenvatting staat in de Nederland-vermelding in het wereldwijde opnameoverzicht. Voor de omliggende arbeidsrechtregels zie de sectiepagina Nederlands arbeidsrecht, en voor het landenoverzicht het Nederland-overzicht.
Veelgestelde vragen
Is een heimelijke opname toelaatbaar als bewijs bij de Nederlandse burgerlijke rechter?
Artikel 152 lid 1 Rv staat toe dat bewijs door alle middelen wordt geleverd, tenzij de wet anders bepaalt, en er geldt geen algemene regel dat de burgerlijke rechter onrechtmatig verkregen bewijs moet negeren. In het arrest van 18 april 2014 oordeelde de Hoge Raad dat het belang van de waarheidsvinding in beginsel zwaarder weegt dan het belang van uitsluiting, en dat terzijdelegging van bewijs alleen gerechtvaardigd is bij bijkomende omstandigheden, waarvan in die zaak sprake was. Toelating staat los van rechtmatigheid: een opname kan als bewijs worden aanvaard, terwijl het maken ervan toch een strafbaar feit kan zijn geweest onder artikel 139a, artikel 139b of artikel 139f Sr.
Wat zijn bijkomende omstandigheden?
De term komt uit de lijn van rechtspraak die de Hoge Raad op 18 april 2014 bevestigde en omschrijft omstandigheden die verdergaan dan het enkele feit dat het bewijs onrechtmatig is verkregen. Dat arrest is zelf een voorbeeld van een zaak waarin aan die drempel was voldaan. Het hof liet de onderzoeksresultaten van een verzekeraar buiten beschouwing omdat het niet strookte met het doel van zelfregulering om een verzekeraar die haar eigen sectorcode had geschonden daarvoor te belonen, omdat de verzekeraar onvoldoende gebruik had gemaakt van minder ingrijpende alternatieven, en omdat de verzekerde het onbehoorlijke onderzoek niet had uitgelokt; de Hoge Raad liet die beslissing in stand. Of dergelijke omstandigheden aanwezig zijn, beoordeelt de rechter aan de hand van de feiten van het concrete geval.
Mag ik een opname van een gesprek met mijn werkgever gebruiken in een ontslagzaak?
Bewijs in civiele procedures is vrij op grond van artikel 152 lid 1 Rv, dus een opname kan als bewijs worden ingebracht. Daarvan blijven twee vragen gescheiden. Of het maken van de opname rechtmatig was, wordt beoordeeld aan de hand van de strafbepalingen en de AVG, en hoeveel gewicht de opname krijgt, laat artikel 152 lid 2 Rv over aan de rechter.
Moet de rechter aannemen wat een opname lijkt te tonen?
Nee. Artikel 152 lid 2 Rv laat de waardering van bewijs over aan de rechter, tenzij de wet anders bepaalt. Een opname wordt gewogen naast de rest van het dossier, en de waarde ervan hangt af van factoren zoals of de stemmen en de datum kunnen worden vastgesteld en of het geluid ononderbroken is.
Welke rechter behandelt een Nederlands arbeidsgeschil?
De kantonrechter. Artikel 93 sub c Rv wijst zaken over een arbeidsovereenkomst, een CAO, een agentuur-, huur- of consumentenkoopovereenkomst en consumentenkrediet toe aan de kantonrechter, telkens ongeacht het beloop of de waarde van de vordering. De drempel van € 25.000 in artikel 93 sub a Rv is een afzonderlijke en zelfstandige bevoegdheidsgrond en begrenst die categorieën niet.
Is artikel 359a Sv van toepassing op een opname die ik zelf heb gemaakt?
Artikel 359a Sv gaat over vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek die niet meer kunnen worden hersteld, en regelt de gevolgen van tekortkomingen van de opsporingsautoriteiten. Het is geen algemene regel over materiaal dat door een particulier is vervaardigd, en de bepaling werkt niet door in civiele procedures, die op artikel 152 Rv draaien.
Ziet de andere partij de opname?
Materiaal dat aan de rechter wordt voorgelegd, behoort tot wat de andere partij mag beantwoorden. Artikel 19 lid 1 Rv verplicht de rechter partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten naar voren te brengen en zich uit te laten over alle stukken en andere gegevens die ter kennis van de rechter zijn gebracht, en verbiedt de rechter een beslissing ten nadele van een partij te baseren op materiaal waarover die partij zich niet heeft kunnen uitlaten.
Bronnen en referenties
- Artikel 152 Rv, vrije bewijsleer en vrije bewijswaardering(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 19 Rv, hoor en wederhoor over alle stukken en gegevens in de procedure(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 93 Rv, bevoegdheid van de kantonrechter, waaronder arbeidszaken ongeacht de waarde(wetten.overheid.nl).gov
- Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942, onrechtmatig verkregen bewijs in een civiele procedure (r.o. 3.4.6, 5.2.3 en 5.4.2)(rechtspraak.nl).gov
- Artikel 359a Sv, vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 139a Sr, opnemen van een gesprek in een woning, besloten lokaal of erf(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 139b Sr, heimelijk opnemen van een gesprek elders dan in een woning, besloten lokaal of erf(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 139e Sr, beschikken over of bekendmaken van wederrechtelijk verkregen gegevens(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 139f Sr, heimelijk vervaardigen van een afbeelding op een niet voor het publiek toegankelijke plaats(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 6:162 BW, onrechtmatige daad(wetten.overheid.nl).gov
- Verordening (EU) 2016/679 (AVG), artikel 2 lid 2 onder c en artikel 4 lid 2(eur-lex.europa.eu).gov