Partneralimentatie: Hoe Lang Duurt Partneralimentatie in Nederland (2026)

Partneralimentatie is het bedrag dat de ene voormalige echtgenoot na een Nederlandse echtscheiding aan de andere betaalt. De vraag die het meest bepaalt wat dit waard is, is niet hoeveel, maar hoe lang, en de regels over de duur zijn gelaagder dan de bekende kop van vijf jaar doet vermoeden.
Deze regels staan in artikel 1:157 BW, een artikel met zeven leden. Lid 1 geeft de hoofdregel, leden 2 tot en met 4 voegen drie uitzonderingen toe, lid 5 bepaalt wat er gebeurt wanneer meer dan een daarvan van toepassing is, lid 6 bepaalt wanneer de termijn begint te lopen, en lid 7 biedt een hardheidsclausule met een eigen deadline.
De bevoegdheid om alimentatie toe te kennen staat in het artikel dat er direct aan voorafgaat. Artikel 1:156 BW schept de verplichting, artikel 1:157 BW meet alleen de duur ervan. Deze pagina is geschreven aan de hand van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, geconsolideerd op 5 juli 2025.
Informatie voor het laatst gecontroleerd op 21 juli 2026. Deze pagina geeft algemene juridische informatie over het Nederlandse recht en vormt geen juridisch advies in een individueel geval.
Wie recht heeft op partneralimentatie
Artikel 1:156 lid 1 BW staat de rechter toe om in de echtscheidingsbeschikking of in een latere beslissing alimentatie toe te kennen aan de echtgenoot die onvoldoende inkomen heeft om van te leven en dit ook niet in redelijkheid kan verwerven. De toekenning gebeurt op verzoek van die echtgenoot zelf en ten laste van de andere echtgenoot.
Die toets bestaat uit twee onderdelen en beide doen ertoe. Onvoldoende feitelijk inkomen is op zichzelf niet genoeg: de wet vraagt ook of de persoon dit redelijkerwijs zou kunnen verdienen. Niet alleen het huidige inkomen, maar ook het verdienvermogen maakt deel uit van de vraag.
Artikel 1:156 lid 3 BW staat de rechter toe om op verzoek van een echtgenoot voorwaarden en een termijn aan de toekenning te verbinden. Die door de rechter vastgestelde termijn kent een harde bovengrens: deze mag er niet toe leiden dat de alimentatie later eindigt dan de toepasselijke wettelijke termijn van artikel 1:157 BW. Een rechter kan verkorten, maar niet verlengen tot voorbij de wettelijke regeling.
De hoofdregel: de helft van het huwelijk, met een maximum van vijf jaar
Artikel 1:157 lid 1 BW bepaalt dat, wanneer de rechter geen termijn heeft vastgesteld, de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van rechtswege eindigt na een termijn gelijk aan de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van vijf jaar. De openingsvoorwaarde wordt gemakkelijk overgeslagen, maar doet echt werk: dit is de vangnetregel, niet de regel die voorgaat op een termijn die de rechter wel heeft vastgesteld.
Toegepast op concrete huwelijken levert de hoofdregel achttien maanden op bij een huwelijk van drie jaar, drie jaar bij een huwelijk van zes jaar, en vijf jaar bij een huwelijk van tien jaar. Vanaf tien jaar houdt het maximum de uitkomst op vijf jaar, zodat een huwelijk van twaalf jaar en een huwelijk van twintig jaar dezelfde hoofdtermijn opleveren.
Dat laatste punt is waar de uitzonderingen relevant worden. Een lang huwelijk verlengt de hoofdregel op zichzelf helemaal niet, en de enige wegen voorbij vijf jaar lopen via de leden 2, 3 en 4.
De drie uitzonderingen, en de regel die daartussen beslist
| Lid | Voorwaarden | Effect op de einddatum |
|---|---|---|
| 1 | De rechter heeft geen termijn vastgesteld | De helft van de duur van het huwelijk, maximum vijf jaar |
| 2 | Huwelijk langer dan vijftien jaar op de datum van indiening van het verzoekschrift, en de onderhoudsgerechtigde is ten hoogste tien jaar jonger dan de AOW-leeftijd | Eindigt niet eerder dan de datum waarop de onderhoudsgerechtigde de AOW-leeftijd bereikt |
| 3 | Huwelijk langer dan vijftien jaar op de datum van indiening van het verzoekschrift, en de onderhoudsgerechtigde is geboren op of voor 1 januari 1970, en de onderhoudsgerechtigde is meer dan tien jaar jonger dan de AOW-leeftijd | Eindigt na tien jaar |
| 4 | Kinderen geboren uit het huwelijk van de echtgenoten die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt | Eindigt niet eerder dan de datum waarop die kinderen twaalf jaar worden |
Leden 2 en 3 worden vaak aangehaald met slechts een voorwaarde elk, en juist daar gaat het mis. Lid 3 vereist alle drie zijn voorwaarden tegelijk, zodat een onderhoudsgerechtigde die in 1969 is geboren en wiens huwelijk drie jaar duurde, onder lid 1 valt en niet onder lid 3, en een termijn van tien jaar dan helemaal niet aan de orde is.
De derde voorwaarde in lid 3 is ook wat de twee uitzonderingen uit elkaar houdt. Een onderhoudsgerechtigde die ten hoogste tien jaar jonger is dan de AOW-leeftijd valt onder lid 2, waarvan de termijn doorloopt tot de AOW-leeftijd; een onderhoudsgerechtigde die meer dan tien jaar jonger is, valt onder lid 3, waarvan de termijn tien jaar bedraagt. Samen gelezen vormen de twee leden een samenhangend stelsel in plaats van twee met elkaar concurrerende regels.
Lid 4 kent zijn eigen precisie. De wet spreekt van de kinderen geboren uit het huwelijk van deze echtgenoten, wat een stiefkind en een kind uit een eerdere relatie uitsluit, en de formulering is collectief, zodat in de praktijk het jongste van die kinderen de datum bepaalt.
Let ook op wat de leden 2 en 4 precies doen. Beide bepalen dat de verplichting niet eerder eindigt dan een gegeven moment, wat van hen een ondergrens voor de einddatum maakt in plaats van een vast eindpunt.
Lid 5: bij samenloop geldt de langste termijn
Dit is de bepaling die het stelsel samenhangend maakt, en het is de bepaling die het vaakst wordt weggelaten in samenvattingen. Artikel 1:157 lid 5 BW luidt: bij samenloop van de omstandigheden, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, geldt de langste termijn.
Met andere woorden: waar de omstandigheden in de leden 1 tot en met 4 samenlopen, geldt de langste termijn. De uitzonderingen zijn geen alternatieven en zijn niet cumulatief. Er wordt niets bij elkaar opgeteld, en een lezer bij wie zowel lid 2 als lid 4 van toepassing is, krijgt niet de ene termijn na de andere.
Drie uitgewerkte voorbeelden laten zien hoeveel dit uitmaakt voor de uitkomst. Bij elk voorbeeld wordt uitgegaan van een verzoekschrift dat in 2026 wordt ingediend en van een rechter die geen termijn heeft vastgesteld.
Een, waarin een uitzondering de hoofdregel verlengt. Een huwelijk van tweeëntwintig jaar, een onderhoudsgerechtigde geboren in maart 1969 wiens AOW-leeftijd volgens de huidige prognose van de SVB 67 jaar en 6 maanden bedraagt (rond september 2036), en twee kinderen uit het huwelijk van veertien en negen jaar oud. Bij een verzoekschrift dat begin 2026 wordt ingediend is de onderhoudsgerechtigde meer dan tien jaar jonger dan de AOW-leeftijd, zodat lid 2 afvalt en lid 3 van toepassing is; lid 1 geeft vijf jaar en lid 4 een ondergrens van ongeveer drie jaar verder, wanneer het jongste kind twaalf wordt, zodat de langste termijn de tien jaar van lid 3 is. De marge is smal: omdat die AOW-leeftijd slechts een prognose is, zou een verzoekschrift dat later in 2026 wordt ingediend, of een lagere prognose, de zaak binnen het bereik van lid 2 brengen, waarvan de ondergrens van rond september 2036 dicht bij de tien jaar van lid 3 ligt.
Twee, waarin de hoofdregel het wint van de uitzondering. Een huwelijk van twintig jaar en een onderhoudsgerechtigde geboren in maart 1960, wiens AOW-leeftijd 67 jaar is. Die onderhoudsgerechtigde is een jaar jonger dan de AOW-leeftijd, zodat lid 2 van toepassing is en een ondergrens van ongeveer een jaar geeft. Lid 1 geeft nog steeds vijf jaar, en op grond van lid 5 geldt de langste termijn, zodat de termijn vijf jaar is en niet een jaar.
Drie, waarin geen enkele uitzondering van toepassing is. Een huwelijk van drie jaar en een onderhoudsgerechtigde geboren in 1969, zonder kinderen uit het huwelijk. Aan de voorwaarde van vijftien jaar wordt niet voldaan, zodat de leden 2 en 3 beide afvallen, lid 4 nergens op aangrijpt, en de termijn de hoofdregel van lid 1 is: achttien maanden.
De AOW-leeftijd waarop de leden 2 en 3 beide steunen
Beide uitzonderingen worden gemeten aan de leeftijd van artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet, en die leeftijd ligt niet vast. Artikel 7a lid 1 AOW noemt deze jaar voor jaar tot en met 2025, waarin deze 67 jaar bedraagt, en bepaalt vervolgens dat deze voor 2026 en latere kalenderjaren jaarlijks wordt vastgesteld volgens de formule van lid 2 en wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
De Sociale Verzekeringsbank publiceert de daaruit volgende leeftijden per geboortedatum, en het overzicht (laatst gecontroleerd op 1 mei 2026) is alleen definitief voor mensen die zijn geboren voor 1 oktober 1964. Het geeft 67 jaar voor wie is geboren tussen 1 maart 1957 en 31 december 1960, en 67 jaar en 3 maanden voor wie is geboren tussen 1 januari 1961 en 30 september 1964.
Voor latere geboortedata zijn de cijfers van de SVB een verwachting en geen vaststaand gegeven: 67 jaar en 3 maanden tot en met 30 september 1966, en 67 jaar en 6 maanden voor wie is geboren tussen 1 oktober 1966 en 30 juni 1970. Een groot deel van de doelgroep van lid 3 heeft dus een AOW-leeftijd die een prognose is en geen vaststaand gegeven, iets om te weten voordat de voorwaarde van tien jaar als zeker wordt behandeld.
Wanneer de termijn begint te lopen
Artikel 1:157 lid 6 BW is kort en verandert de rekensom. De termijn voor het verstrekken van levensonderhoud begint op de datum waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Niet de feitelijke scheiding, niet de indiening van het verzoekschrift, en niet de datum waarop de beschikking is gegeven. Een Nederlandse echtscheiding krijgt pas effect wanneer de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op grond van artikel 1:163 lid 1 BW, en op grond van lid 3 verliest de beschikking haar kracht als de inschrijving niet binnen zes maanden na de dag waarop zij in kracht van gewijsde is gegaan, is verzocht.
Wanneer de echtgenoten zelf alimentatie overeenkomen op grond van artikel 1:158 BW en daarbij geen termijn vaststellen, zijn de leden 1 tot en met 5 en lid 7 van artikel 157 van overeenkomstige toepassing. Lid 6 is degene die daarbij buiten beschouwing blijft, zodat zo'n overeenkomst de termijnen wel overneemt maar niet de wettelijke aanvangsdatum, en de overeenkomst die datum zelf moet regelen. Zie de echtscheidingsprocedure voor hoe en wanneer de inschrijving plaatsvindt.
De termijn van drie maanden om verlenging te vragen
Artikel 1:157 lid 7 BW is het vangnet, en daar zit een klok op. Wanneer van degene die de alimentatie ontvangt, gelet op alle omstandigheden en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, niet kan worden gevergd dat de beëindiging van de alimentatie bij het verstrijken van een termijn van de leden 1 tot en met 4 doorgang vindt, kan de rechter op verzoek van die persoon alsnog een termijn vaststellen.
De deadline staat in de tweede zin van het artikel: het verzoek moet worden ingediend voordat drie maanden zijn verstreken sinds de alimentatie is geëindigd. Dat is een korte termijn, en deze gaat pas open zodra de betalingen zijn gestopt, precies het moment waarop iemand het minst geneigd is aan rechtszaken te denken.
Hetzelfde lid voegt een detail toe dat het lezen waard is bij elke verlengingsbeslissing. De rechter spreekt zich in de uitspraak uit over de vraag of een verdere verlenging na afloop van de nieuwe termijn al dan niet mogelijk is, zodat een verlenging als de laatste kan worden toegekend.
Wanneer zij vroegtijdig eindigt
Artikel 1:160 BW beëindigt de verplichting van een voormalige echtgenoot om alimentatie te verstrekken wanneer de ontvanger hertrouwt, een geregistreerd partnerschap aangaat, of is gaan samenleven met een ander alsof zij gehuwd zijn of alsof zij hun partnerschap hebben laten registreren.
Het artikel werkt zonder rechterlijke beslissing en zonder verzoek. Het stelt geen minimumduur voor de samenleving en geeft er ook verder geen definitie van, zodat aan de hand van de feiten wordt beoordeeld of een bepaalde woonsituatie geldt als samenleven alsof men gehuwd is.
Artikel 1:159 BW ziet op de omgekeerde situatie, waarin partijen willen vastleggen wat zij zijn overeengekomen. Een beding dat latere wijziging wegens gewijzigde omstandigheden uitsluit, een niet-wijzigingsbeding, moet schriftelijk zijn overeengekomen, vervalt wanneer de overeenkomst meer dan drie maanden voor de indiening van het verzoekschrift is gesloten, en kan door de rechter toch terzijde worden gesteld bij een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn de partij aan het beding te houden.
Hoe het bedrag wordt berekend
Het Burgerlijk Wetboek noemt de twee maatstaven in artikel 1:397 lid 1 BW, behoefte en draagkracht, maar noemt geen bedragen: elk cijfer komt uit het Rapport alimentatienormen, een richtlijn die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak elk jaar in januari publiceert, die geen wet is en waarvan de rechter in een individueel geval kan afwijken.
Voor de behoefte van de voormalige partner hanteren de gerechten een vuistregel die bekendstaat als de hofnorm, die berust op de constatering dat twee afzonderlijke huishoudens meer kosten dan de helft van een huishouden. Deze gaat uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk, trekt daarvan het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen af waarvoor zij onderhoudsplichtig waren, en beschouwt 60 procent van wat overblijft als de behoefte.
Een uitgewerkt voorbeeld. Neem een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.000 per maand en een eigen aandeel in de kosten van de kinderen van € 1.145, afgelezen uit de behoeftetabel 2026. Dat laat € 3.855 over, en 60 procent daarvan geeft een behoefte van ongeveer € 2.313 per maand.
Dat is de startbehoefte, niet de betaling. Omdat artikel 1:156 lid 1 BW vraagt of de onderhoudsgerechtigde voldoende inkomen heeft en dit redelijkerwijs zou kunnen verwerven, worden het eigen inkomen en verdienvermogen van de onderhoudsgerechtigde van dat bedrag afgetrokken voordat er iets van de andere echtgenoot wordt gevraagd.
Aan de kant van de betaler gaat het om de draagkracht. Voor partneralimentatie bedraagt het draagkrachtpercentage in het Rapport alimentatienormen 60 procent van de draagkrachtruimte, zodat 40 procent overblijft als vrije ruimte, en dit percentage geldt specifiek voor partneralimentatie.
Er spelen in dezelfde zaak dus twee verschillende percentages van 60 procent, en die mogen niet met elkaar worden verward. Het ene is 60 procent van het beschikbare gezinsinkomen en levert de behoefte op; het andere is 60 procent van de draagkrachtruimte van de betaler en levert de draagkracht op. Verschillende grondslagen, verschillende stappen, verschillende bedragen.
Wanneer een betaler niet aan alle verplichtingen kan voldoen, stelt artikel 1:400 lid 1 BW kinderen en stiefkinderen onder de 21 jaar voorop boven een voormalige echtgenoot, zodat kinderalimentatie eerst wordt berekend en partneralimentatie alleen uit wat daarna overblijft. De cijfers voor kinderen en de volledige tabellen staan op de pagina over kinderalimentatie.
Deze cijfers zijn een indicatie op basis van de gepubliceerde tabellen van het Rapport alimentatienormen, geen berekening van wat een bepaalde persoon verschuldigd is: de maatstaven behoefte en draagkracht van artikel 1:397 lid 1 BW worden toegepast door de rechter, die het bedrag in een individueel geval vaststelt.
Indexering, wijziging en waar dit wordt beslist
Alimentatiebedragen die door een rechter of bij overeenkomst zijn vastgesteld, wijzigen automatisch elke 1 januari op grond van artikel 1:402a BW, en voor 2026 heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid die verhoging vastgesteld op 4,6 procent in een beschikking die is gepubliceerd in de Staatscourant. Die automatische wijziging geldt niet altijd: artikel 1:402a lid 5 BW staat toe dat een rechterlijke beslissing of een overeenkomst deze geheel of voor een bepaalde periode uitsluit, en een uitsluitingsbeding is een gebruikelijke bepaling in een echtscheidingsconvenant, zodat het convenant het eerste is om te controleren. De werking, de rekensom achter het percentage en de manier waarop een bedrag later kan worden gewijzigd, staan op de pagina over alimentatie.
Nederlandse familie- en alimentatiezaken worden behandeld door de rechtbank, niet door de kantonrechter, ongeacht het bedrag waar het om gaat, omdat artikel 93 Rv familie- en alimentatiezaken bij geen enkel bedrag aan de kantonrechter toewijst. Dat is de rechtbank, en familiezaken gaan naar de familiekamer daarvan.
Een verzoekschrift tot echtscheiding moet worden ondertekend door een advocaat op grond van artikel 278 lid 3 Rv, dat alleen zaken uitzondert die bij de kantonrechter worden aangebracht of die bij een bijzondere wet zijn vrijgesteld, en een echtscheiding is geen van beide. Een advocaat is de Nederlandse jurist met procesbevoegdheid bij de rechter; een notaris, een gerechtsdeurwaarder en een jurist zijn afzonderlijke beroepen en kunnen het verzoekschrift niet ondertekenen.
Een particulier die bij de rechtbank een verzoek van onbepaalde waarde indient, betaalt voor 2026 € 341 aan griffierecht, of € 93 tegen het tarief voor onvermogenden, en beide bedragen worden elke 1 januari opnieuw vastgesteld. De sectiepagina familierecht verwijst naar de rest van het cluster.
Veelgestelde vragen
Hoe lang duurt partneralimentatie in Nederland?
De hoofdregel in artikel 1:157 lid 1 BW is een termijn gelijk aan de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van vijf jaar, en deze geldt wanneer de rechter geen termijn heeft vastgesteld. Drie uitzonderingen kunnen langer duren: een huwelijk van meer dan vijftien jaar waarbij de onderhoudsgerechtigde binnen tien jaar van de AOW-leeftijd zit (lid 2), datzelfde lange huwelijk waarbij de onderhoudsgerechtigde op of voor 1 januari 1970 is geboren en meer dan tien jaar jonger is dan de AOW-leeftijd (lid 3, tien jaar), en kinderen geboren uit het huwelijk die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt (lid 4). Op grond van lid 5 geldt de langste van de toepasselijke termijnen.
Duurt partneralimentatie altijd vijf jaar?
Nee. Vijf jaar is een maximum voor de hoofdregel van lid 1, geen vaste termijn, zodat een huwelijk van zes jaar drie jaar oplevert in plaats van vijf. Het is ook geen maximum voor het stelsel als geheel, want de leden 2, 3 en 4 kunnen de einddatum daaroverheen tillen, en lid 5 bepaalt dat de langste toepasselijke termijn geldt wanneer meer dan een regel van toepassing is.
Krijgt een onderhoudsgerechtigde die voor 1970 is geboren altijd tien jaar alimentatie?
Nee, en dit is een veelvoorkomende misvatting over artikel 1:157 lid 3 BW. De geboortedatum is een van drie cumulatieve voorwaarden: het huwelijk moet daarnaast langer dan vijftien jaar hebben geduurd op de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, en de onderhoudsgerechtigde moet meer dan tien jaar jonger zijn dan de AOW-leeftijd van artikel 7a AOW. Een onderhoudsgerechtigde die in 1969 is geboren en wiens huwelijk drie jaar duurde, valt in plaats daarvan onder lid 1, wat achttien maanden geeft.
Wanneer begint de termijn van partneralimentatie te lopen?
Artikel 1:157 lid 6 BW laat de termijn beginnen op de datum waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De feitelijke scheiding, de indiening van het verzoekschrift en de datum van de beschikking zelf laten de termijn niet beginnen. Wanneer partijen alimentatie overeenkomen op grond van artikel 1:158 BW zonder een termijn vast te stellen, is lid 6 het enige lid dat niet van overeenkomstige toepassing is, zodat de aanvangsdatum uit de overeenkomst zelf moet komen.
Kan partneralimentatie worden verlengd nadat deze is geëindigd?
Artikel 1:157 lid 7 BW staat de rechter toe om, op verzoek van degene die de alimentatie ontvangt, een nadere termijn vast te stellen wanneer beëindiging bij het verstrijken van een termijn van de leden 1 tot en met 4 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van die persoon kan worden gevergd. Het verzoek moet worden ingediend voordat drie maanden zijn verstreken sinds de alimentatie is geëindigd. De rechter spreekt zich in de beslissing ook uit over de vraag of een verdere verlenging na afloop van de nieuwe termijn mogelijk is.
Stopt partneralimentatie als mijn ex-partner bij iemand anders intrekt?
Artikel 1:160 BW beëindigt de verplichting wanneer de voormalige echtgenoot die de alimentatie ontvangt, hertrouwt, een geregistreerd partnerschap aangaat, of gaat samenleven met een ander alsof zij gehuwd zijn of alsof zij een partnerschap hebben laten registreren. Het artikel stelt geen minimumduur en geeft ook geen nadere omschrijving van de samenleving, zodat aan de hand van de feiten van de zaak wordt beoordeeld of een woonsituatie aan die omschrijving voldoet.
Hoe wordt het bedrag van partneralimentatie berekend?
Twee stappen. De behoefte van de voormalige partner wordt meestal geschat met de hofnorm, die uitgaat van het netto besteedbaar gezinsinkomen, daarvan het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen aftrekt, en 60 procent van het restant als behoefte beschouwt. Vervolgens wordt de draagkracht van de betaler beoordeeld, waarbij 60 procent van de draagkrachtruimte beschikbaar is voor partneralimentatie, nadat eventuele kinderalimentatie eerst is vastgesteld op grond van artikel 1:400 lid 1 BW.
Kunnen wij partneralimentatie zelf overeenkomen in plaats van dit aan de rechter te vragen?
Ja. Artikel 1:158 BW staat echtgenoten toe om voor of na de echtscheidingsbeschikking overeen te komen of alimentatie verschuldigd is en hoeveel. Bevat de overeenkomst geen termijn, dan zijn de leden 1 tot en met 5 en lid 7 van artikel 157 van overeenkomstige toepassing, zodat de wettelijke duurregeling de overeenkomst volgt. Een beding dat latere wijziging uitsluit, een niet-wijzigingsbeding op grond van artikel 1:159 BW, moet schriftelijk zijn overeengekomen en kan alsnog terzijde worden gesteld bij een voldoende ingrijpende wijziging van omstandigheden.
Bronnen en referenties
- Artikel 1:156 BW, toekenning van een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:157 BW, duur van de partneralimentatie, leden 1 tot en met 7(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:158 BW, partneralimentatie bij overeenkomst en de leden van artikel 157 die van overeenkomstige toepassing zijn(wetten.overheid.nl).gov
- Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2026, Staatscourant 2025, 39488(officielebekendmakingen.nl).gov
- Artikel 1:160 BW, einde van de alimentatieplicht bij hertrouwen, geregistreerd partnerschap of samenleven(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:163 BW, inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en de termijn van zes maanden(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:397 BW, behoefte en draagkracht als wettelijke maatstaven(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:400 BW, voorrang van kinderen onder de 21 boven een gewezen echtgenoot(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:402a BW, jaarlijkse wettelijke indexering van alimentatiebedragen(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 7a Algemene Ouderdomswet, de pensioengerechtigde leeftijd en de jaarlijkse vaststelling daarvan(wetten.overheid.nl).gov
- Sociale Verzekeringsbank, overzicht van de AOW-leeftijd per geboortedatum(svb.nl).gov
- Artikel 93 Rv, bevoegdheid van de kantonrechter, waarin familiezaken niet voorkomen(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 278 lid 3 Rv, ondertekening van het verzoekschrift door een advocaat(wetten.overheid.nl).gov
- Rapport alimentatienormen, versie januari 2026, Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak(rechtspraak.nl).gov