Kinderalimentatie: hoe het bedrag in 2026 wordt berekend

Kinderalimentatie is meestal het eerste bedrag waarnaar een scheidende ouder op zoek gaat, en het is het bedrag dat het vaakst verkeerd wordt gelezen. Het Burgerlijk Wetboek (BW) schept de verplichting en noemt de twee dingen die het bedrag bepalen. Het stelt nergens een bedrag, een tabel of een percentage vast.
Elk cijfer in een berekening van kinderalimentatie komt uit een apart document: het Rapport alimentatienormen, dat de Rechtspraak elk jaar in januari opnieuw publiceert en dat nog altijd algemeen de Tremanormen wordt genoemd. Dat document is rechterlijke richtlijn en geen wetgeving, en dat onderscheid maakt het verschil tussen de tabellen correct lezen en ze als een rekening lezen.
Deze pagina volgt de drie stappen van de richtlijnen zelf, geeft de tabellen van 2026 weer waarop zij rusten, werkt het voorbeeld uit dat het Rapport zelf publiceert, en zegt duidelijk waar de methode ophoudt.
Informatie voor het laatst gecontroleerd op 21 juli 2026. Deze pagina geeft algemene juridische informatie over het Nederlandse recht en vormt geen juridisch advies in een individueel geval.
Kinderalimentatie berekenen
Een indicatie van de kinderalimentatie volgens de Tremanormen. Zij volgt de drie stappen: de behoefte van het kind, de draagkracht van elke ouder, en dan de zorgkorting. De rechter is niet aan deze bedragen gebonden.
Gebaseerd op het Rapport alimentatienormen, versie januari 2026 (Tremanormen).
Deze rekenhulp geeft de Tremanormen weer, aanbevelingen waarvan de rechter mag afwijken. Zij is geen juridisch advies, niet de officiële berekening, en behandelt geen partneralimentatie, bijzondere lasten, kinderen van 18 tot 21 jaar of gevallen waarin de gezamenlijke draagkracht tekortschiet. De bedragen worden elk jaar op 1 januari geïndexeerd; deze rekenhulp bevat de tabellen van 2026.
De plicht staat in de wet, de bedragen niet
Beide ouders zijn op grond van artikel 1:404 lid 1 BW onderhoud aan hun kinderen verschuldigd, ieder naar eigen draagkracht, en die verplichting duurt op grond van artikel 1:395a lid 1 BW voort totdat het kind 21 jaar wordt. Artikel 1:404 ziet op de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen, en artikel 1:395a ziet op de kosten van levensonderhoud en studie van een meerderjarig kind dat de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt. Geen van beide artikelen noemt een bedrag.
Na het 21e jaar loopt de verplichting niet zomaar in dezelfde vorm door. Zij valt terug op de algemene bepaling over bloed- en aanverwanten, artikel 1:392 BW, die voor een ouder alleen geldt in geval van behoeftigheid, dat wil zeggen alleen wanneer het meerderjarige kind werkelijk behoeftig is.
Artikel 1:397 lid 1 BW levert de gehele methode die de wet kent. Het bepaalt dat bij het bepalen van het verschuldigde bedrag enerzijds rekening wordt gehouden met de behoefte van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot voorziening in de kosten verplichte persoon. Die twee woorden vormen de volledige wettelijke inhoud van een berekening van kinderalimentatie.
De Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak is onomwonden over wat dat open laat. Het Rapport stelt dat behoefte en draagkracht open normen zijn, in die zin dat geen wet of andere regeling vastlegt wat zij betekenen. Het Burgerlijk Wetboek noemt de twee maatstaven in artikel 1:397 lid 1 BW, behoefte en draagkracht, maar stelt geen bedragen vast: elk bedrag komt uit het Rapport alimentatienormen, richtlijnen die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak elk jaar in januari publiceert, die geen wet zijn en waarvan een rechter in een individueel geval kan afwijken.
De Rechtspraak verwoordt het gevolg in eigen bewoordingen op de pagina van de Expertgroep: de aanbevelingen zijn geen wet, en rechters en partijen kunnen daarvan in individuele gevallen afwijken. Het Rapport voegt daaraan toe dat een rechter dit als regel alleen doet wanneer er bijzondere omstandigheden zijn. De tabellen zijn daarom sterk en voorspelbaar, en toch nog altijd niet de beslissingsregel.
Twee andere bepalingen vangen situaties op die de tabellen niet signaleren. Artikel 1:394 BW maakt de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, en een partner van de moeder die heeft ingestemd met de daad die tot de verwekking kan hebben geleid, aansprakelijk voor dezelfde kosten als was hij een ouder. Artikel 1:400 lid 2 BW maakt elke overeenkomst waarbij wettelijk verschuldigd onderhoud wordt kwijtgescholden nietig, zodat ouders de verplichting niet contractueel kunnen wegcontracteren.
Stap 1: wat het kind kost, en de tabel eigen aandeel
De eerste stap meet het kind, niet een van beide ouders. Zij levert het gezamenlijke eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen op, afgelezen van de behoeftetabel die voor het betreffende jaar is gepubliceerd.
Het gebruikte inkomen is niet het huidige inkomen. Het is het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode waarin de ouders en de kinderen één huishouden vormden, vanuit de gedachte dat een kind in beginsel niet slechter af moet zijn doordat de ouders uit elkaar zijn gegaan. Het kindgebonden budget dat in diezelfde periode werd ontvangen, wordt bij dat inkomen opgeteld voordat de tabel wordt afgelezen.
Daarna volgen twee correcties. Eventuele extra medische kosten voor het kind, of het nu gaat om extra ziektekosten of de premie van een aanvullende zorgverzekering, komen boven op het tabelbedrag. Omdat de tabel een totaal geeft voor alle kinderen samen, wordt dat totaal vervolgens over hen verdeeld.
| Netto gezinsinkomen per maand (€) | 1 kind | 2 kinderen | 3 kinderen | 4 kinderen |
|---|---|---|---|---|
| 2.000 | 200 | 345 | 345 | 410 |
| 2.500 | 275 | 475 | 495 | 590 |
| 3.000 | 350 | 605 | 645 | 770 |
| 3.500 | 425 | 735 | 795 | 950 |
| 4.000 | 540 | 905 | 945 | 1.130 |
| 4.500 | 610 | 1.025 | 1.080 | 1.295 |
| 5.000 | 680 | 1.145 | 1.215 | 1.460 |
| 5.500 | 745 | 1.260 | 1.345 | 1.620 |
| 6.000 | 805 | 1.375 | 1.470 | 1.775 |
| 6.500 | 870 | 1.485 | 1.595 | 1.930 |
| 7.000 | 930 | 1.590 | 1.720 | 2.080 |
| 7.500 | 985 | 1.695 | 1.835 | 2.230 |
Dat zijn de maandelijkse eigen-aandeelbedragen uit de Tabel eigen aandeel kosten van kinderen voor 2026. Valt een inkomen tussen twee regels in, dan wordt het bedrag naar rato verhoogd vanaf de lagere regel, niet naar boven afgerond.
De gepubliceerde tabel begint bij een gezinsinkomen van € 2.000 per maand, stopt bij € 7.500, en gaat tot vier kinderen. Dat zijn grenzen van de gepubliceerde richtlijn en geen weergavelimiet, en onder € 2.000 komt het antwoord uit het draagkrachtminimum in de volgende paragraaf, niet uit een verzonnen regel.
De herkomst van deze tabel is het waard om precies te vermelden, omdat zij meestal losjes wordt toegeschreven. De percentages van het gezinsinkomen die ouders aan hun kinderen besteden, komen uit een gezamenlijk onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud), voor het laatst uitgevoerd in 2018 en sindsdien ongewijzigd gebruikt vanaf 2019. Het Nibud actualiseert elk jaar de bedragen voor die kostenpercentages en voor de kinderbijslag, maar de bedragen worden niet geïndexeerd in de zin van artikel 1:402a BW, en de tabel wordt gepubliceerd door de Rechtspraak binnen het Rapport, niet door het Nibud.
De editie van 2026 laat zien dat deze cijfers niet elk jaar zomaar stijgen. Omdat de kinderbijslag op 1 januari 2026 naar boven is bijgesteld, komt het eigen aandeel voor 2026 bij hetzelfde gezinsinkomen tot € 10 per maand lager uit dan het cijfer voor 2025.
Stap 2: wat elke ouder kan betalen
De draagkracht wordt voor elke ouder afzonderlijk berekend. De keten loopt van het netto besteedbaar inkomen (NBI), vermeerderd met het kindgebonden budget van de ouder die dit ontvangt, verminderd met het draagkrachtloos inkomen, dat bestaat uit een gecorrigeerde bijstandsnorm plus een woonbudget plus eventuele overige noodzakelijke kosten. Wat overblijft is de draagkrachtruimte, en een percentage van die ruimte is de draagkracht.
Voor 2026 luidt de gepubliceerde formule, onder de AOW-leeftijd, draagkracht = 70 procent van [NBI min (30 procent van NBI plus € 1.365)]. Zij geldt vanaf een NBI van € 2.200 per maand. Onder die grens beveelt het Rapport in plaats daarvan vaste bandbedragen aan, zodat de uitkomst niet springt bij een bandgrens.
| NBI vanaf (€) | NBI tot (€) | Woonbudget (€) | Draagkrachtloos inkomen (€) | Draagkracht (€) |
|---|---|---|---|---|
| 0 | 1.950 | 25 voor één kind, 50 voor twee of meer | ||
| 1.950 | 2.000 | 585 | 1.900 | 50 |
| 2.000 | 2.050 | 600 | 1.915 | 77 |
| 2.050 | 2.100 | 615 | 1.930 | 96 |
| 2.100 | 2.150 | 630 | 1.945 | 109 |
| 2.150 | 2.200 | 645 | 1.985 | 116 |
| 2.200 en hoger | 660 | 2.025 | formule van toepassing, 123 bij de grens |
Bij een NBI plus kindgebonden budget van € 1.950 of minder wordt in 2026 een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen aangenomen. Voor een verzorgende ouder met een bijstandsuitkering wordt geen draagkracht aangenomen, ook niet wanneer die ouder kindgebonden budget ontvangt, terwijl voor een niet-verzorgende ouder met bijstand en voor elke ouder op een inkomen op bijstandsniveau wel een minimum wordt aangenomen.
Vanaf de AOW-leeftijd gelden een aparte tabel en een aparte formule, en voor 2026 luiden die: vaste bedragen tot een NBI van € 2.430, en daarboven draagkracht = 70 procent van [NBI min (30 procent van NBI plus € 1.525)]. Een berekening die geen rekening houdt met de vraag of een ouder de AOW-leeftijd heeft bereikt, is voor elke betaler die dat wel heeft fout, en zij is stilzwijgend fout, omdat er nog altijd een aannemelijk getal uitkomt.
Twee reikwijdteregels zijn bij deze stap van belang. Voor kinderalimentatie telt alleen de eigen positie van de betalende ouder mee, en een nieuwe partner blijft buiten beschouwing, vanuit de redenering van het Rapport dat een nieuwe partner zichzelf kan onderhouden en een kind niet. Het draagkrachtpercentage van 70 procent geldt bovendien specifiek voor kinderalimentatie: voor partneralimentatie is dat 60 procent, behandeld op de pagina over partneralimentatie.
Wanneer een betaler niet aan alle verplichtingen kan voldoen, geeft artikel 1:400 lid 1 BW kinderen en stiefkinderen onder de 21 jaar voorrang boven een ex-echtgenoot, zodat kinderalimentatie eerst wordt berekend en partneralimentatie alleen uit wat overblijft. Het Rapport stelt hetzelfde in eigen bewoordingen: kinderalimentatie gaat voor op elke andere onderhoudsverplichting.
Stap 3: de kosten verdelen, en de zorgkorting
Zodra de draagkracht van beide ouders bekend is, wordt het eigen aandeel naar rato daarvan tussen hen verdeeld. Dit is de draagkrachtvergelijking, en het is de stap die lezers het vaakst overslaan: de ouder bij wie de kinderen wonen, draagt ook een deel van de kosten, en dat deel is onderdeel van het antwoord, geen beleefdheid.
De zorgkorting wordt vervolgens afgetrokken van het aandeel van de ouder bij wie het kind niet woont. Zij is een percentage van het eigen aandeel, exclusief de extra kosten, bepaald door het gemiddelde aantal dagen per week dat het kind bij die ouder doorbrengt, vakanties inbegrepen.
- 5 procent bij gedeelde zorg van minder dan één dag per week
- 15 procent bij een gemiddelde van één dag per week
- 25 procent bij een gemiddelde van twee dagen per week
- 35 procent bij een gemiddelde van drie dagen per week
De ondergrens van 5 procent geldt omdat omgang zowel een recht als een plicht is, zodat ook bij een beperkte omgang enige kosten worden aangenomen. Van de ouder bij wie het kind woont, wordt aangenomen dat deze de kosten draagt die niet met het kind meereizen tussen de huizen, zoals schoolkosten, sportcontributies en kleding, en heeft 30 procent van het eigen aandeel plus de kinderbijslag beschikbaar.
Co-ouderschap is geen wettelijke term. Het Rapport zegt dit uitdrukkelijk en maakt geen onderscheid tussen een ruime zorgregeling en co-ouderschap, zodat een gelijke verdeling van de dagen ten hoogste een zorgkorting van 35 procent oplevert, geen nulbedrag. Wanneer de gezamenlijke draagkracht van de ouders niet toereikend is voor het eigen aandeel, wordt de zorgkorting verminderd met de helft van het tekort.
Het voorbeeld dat de richtlijnen zelf publiceren
Het Rapport werkt zijn eigen drie stappen uit aan de hand van één geval, en elk cijfer hieronder komt uit dat voorbeeld, niet uit een hier opgebouwde illustratie.
Bij stap één is er één kind, met een eigen aandeel van € 350 per maand.
Bij stap twee heeft Ouder I, de ouder bij wie het kind woont, een NBI van € 2.000 plus € 400 aan kindgebonden budget, dus € 2.400. Het draagkrachtloos inkomen is een gecorrigeerde bijstandsnorm van € 1.365 plus een woonbudget van € 720, dus € 2.085, wat een draagkrachtruimte van € 315 en een draagkracht van € 221 oplevert. Ouder II heeft een NBI van € 2.600 en geen kindgebonden budget, en na € 1.365, een woonbudget van € 780 en € 200 aan overige noodzakelijke kosten, is de draagkrachtruimte € 255 en de draagkracht € 179.
Bij stap drie is de gezamenlijke draagkracht € 400, zodat het eigen aandeel van € 350 naar rato wordt gesplitst: € 193 komt voor rekening van Ouder I en € 157 voor rekening van Ouder II. Ouder II heeft het kind gemiddeld één dag per week, zodat een zorgkorting van 15 procent van € 350, dat is € 53, eraf gaat, en Ouder II betaalt € 104 per maand.
Het verschil tussen € 350 en € 104 is de reden om het voorbeeld hier over te nemen. Het kind kost € 350 per maand en de maandelijkse overmaking is € 104, omdat de eigen bijdrage van de verzorgende ouder van € 193 en de al gegeven zorg van € 53 allebei onderdeel zijn van het antwoord. Wie het tabelbedrag als de rekening behandelt, overschat het hier met ruwweg een factor drie.
Deze cijfers zijn een indicatie op basis van de gepubliceerde tabellen van het Rapport alimentatienormen, geen berekening van wat een specifieke persoon verschuldigd is: de maatstaven behoefte en draagkracht van artikel 1:397 lid 1 BW worden toegepast door de rechter, die het bedrag in een individueel geval vaststelt.
Waar de gepubliceerde methode ophoudt
De tabellen zijn een sterk startpunt en een zwak eindpunt. Het Rapport is uitdrukkelijk over de situaties die het apart behandelt, en elk van de volgende punten verandert het cijfer.
- Netto besteedbaar inkomen is niet het nettoloon. Het is een geconstrueerd cijfer waarin toeslagen en belastingeffecten zijn verwerkt, zodat een ruwe schatting ervan elk later cijfer in de keten verschuift.
- De behoeftetabel bestaat niet onder een gezinsinkomen van € 2.000 of boven € 7.500 per maand, en stopt bij vier kinderen.
- Ouders die nooit hebben samengewoond, worden volgens een geheel andere behoeftemethode behandeld, omdat er geen gezamenlijk huishoudinkomen is om te meten.
- Kinderen van 18 tot 21 jaar, bijzondere lasten, inkomensverlies, een leaseauto, langdurige zorgbehoefte, stiefouders en de aanvaardbaarheidstoets hebben elk een eigen hoofdstuk.
- Wanneer de gezamenlijke draagkracht van de ouders tekortschiet ten opzichte van het eigen aandeel, verandert de wisselwerking tussen dat tekort en de zorgkorting de uitkomst opnieuw.
- Elke bovenstaande constante wordt op 1 januari opnieuw vastgesteld, zodat een cijfer zonder jaartal onbruikbaar is.
Niets daarvan maakt de tabellen onbetrouwbaar. Het betekent dat zij het gewone geval beantwoorden en het uitzonderlijke geval aan de rechter overlaten, en daarvoor is richtlijn waarvan een rechter kan afwijken juist bedoeld.
Overeenkomen, laten vaststellen, wijzigen en innen
Wanneer de ouders scheiden, zijn de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen op grond van artikel 815 lid 3 sub c Rv een verplicht onderdeel van het ouderschapsplan. Het bedrag moet dus als onderdeel van het verzoekschrift worden geregeld en niet voor later worden bewaard, en de volledige inhoud van dat plan staat uiteengezet op de pagina over echtscheiding in Nederland.
Wanneer een ouder of stiefouder de verplichting niet nakomt, staat artikel 1:406 lid 1 BW de andere ouder of de voogd toe de rechtbank te vragen het bedrag vast te stellen. Nederlandse familie- en alimentatiezaken worden behandeld door de rechtbank, niet door de kantonrechter, ongeacht het bedrag waarom het gaat, omdat artikel 93 Rv familie- of alimentatiezaken bij geen enkele waarde aan de kantonrechter toewijst.
Dezelfde grens verklaart een punt dat lezers gewoonlijk van de andere kant tegenkomen. Een verzoekschrift tot echtscheiding moet worden ondertekend door een advocaat op grond van artikel 278 lid 3 Rv, dat alleen zaken uitzondert die bij de kantonrechter zijn ingediend of die bij een bijzondere wet zijn vrijgesteld, en een echtscheiding is geen van beide. Een echtscheiding met kinderen is daarom nooit een zuiver private regeling, ook niet wanneer de ouders het over elk cijfer eens zijn.
Een eenmaal vastgesteld bedrag ligt niet vast. Artikel 1:401 BW staat toe dat een rechterlijke beslissing of een overeenkomst over alimentatie wordt gewijzigd of ingetrokken bij wijziging van omstandigheden, of wanneer deze van meet af aan berustte op onjuiste of onvolledige gegevens. Artikel 1:408 lid 2 en 3 BW staat het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) toe om op verzoek de inning over te nemen en de kosten daarvan op de betaler te verhalen, en beide wegen staan uiteengezet op de pagina over alimentatie in Nederland.
Alimentatiebedragen die door een rechter zijn vastgesteld of zijn overeengekomen, veranderen elk jaar op 1 januari automatisch op grond van artikel 1:402a BW, en voor 2026 heeft de minister van Justitie en Veiligheid die verhoging vastgesteld op 4,6 procent in een beschikking gepubliceerd in de Staatscourant. De wijziging treedt van rechtswege in werking, zodat niemand dit hoeft aan te vragen en geen nieuwe beslissing nodig is, hoewel artikel 1:402a lid 5 BW toestaat dat de automatische aanpassing bij rechterlijke beslissing of bij overeenkomst wordt uitgesloten.
Veelgestelde vragen
Hoeveel is kinderalimentatie in Nederland?
Er is geen standaardbedrag en geen wettelijk percentage. Het cijfer wordt voor elk gezin opgebouwd uit twee dingen: het eigen aandeel in de kosten van de kinderen, afgelezen van de behoeftetabel voor het jaar tegenover het netto gezinsinkomen in de laatste periode dat het gezin samenwoonde, en de draagkracht van elke ouder, berekend volgens de gepubliceerde draagkrachtformule. Het eigen aandeel wordt vervolgens naar rato van hun draagkracht tussen de ouders verdeeld, en een zorgkorting van 5 tot 35 procent van het eigen aandeel gaat af van het aandeel van de ouder bij wie het kind niet woont. In het voorbeeld dat het Rapport alimentatienormen zelf publiceert, levert een kind dat € 350 per maand kost, een betaling van € 104 per maand op.
Tot welke leeftijd betalen ouders kinderalimentatie in Nederland?
Tot het kind 21 jaar wordt. Artikel 1:404 lid 1 BW ziet op de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen, en artikel 1:395a lid 1 BW breidt de verplichting uit naar de kosten van levensonderhoud en studie van een meerderjarig kind dat de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt. Het vaak herhaalde idee dat de verplichting bij 18 jaar stopt, is onjuist. Vanaf 21 jaar is een ouder alleen nog onderhoud verschuldigd op grond van de algemene bepaling in artikel 1:392 BW, en alleen in geval van behoeftigheid, dat wil zeggen wanneer het meerderjarige kind werkelijk behoeftig is.
Is het bedrag in de behoeftetabel wat de betalende ouder moet betalen?
Nee, en dit is de meest voorkomende verkeerde lezing van de tabellen. De behoeftetabel geeft het totale eigen aandeel van beide ouders samen in de kosten van alle kinderen, wat meet wat de kinderen kosten, niet wat de ene ouder verschuldigd is. Dat totaal wordt naar rato van hun draagkracht tussen de ouders verdeeld, en de zorgkorting vermindert vervolgens het aandeel van de ouder bij wie het kind niet woont. In het voorbeeld van het Rapport levert een eigen aandeel van € 350 per maand een maandelijkse betaling van € 104 op.
Betekent co-ouderschap dat er geen kinderalimentatie wordt betaald?
Niet vanzelf. Co-ouderschap is geen wettelijke term, en het Rapport alimentatienormen zegt uitdrukkelijk dat het geen onderscheid maakt tussen een ruime zorgregeling en co-ouderschap. Een gelijke verdeling van de dagen levert ten hoogste een zorgkorting van 35 procent van het eigen aandeel op, wat een vermindering is en geen opheffing. Wat een betaling in de praktijk laat vervallen, is de vergelijking van de draagkracht van de twee ouders, niet de vorm van de zorgregeling.
Welke rechter stelt kinderalimentatie vast als de ouders het niet eens worden?
De rechtbank. Artikel 1:406 lid 1 BW staat de andere ouder of de voogd toe de rechtbank te vragen het bedrag vast te stellen wanneer een ouder of stiefouder de verplichting niet nakomt. Nederlandse familie- en alimentatiezaken worden behandeld door de rechtbank, niet door de kantonrechter, ongeacht het bedrag waarom het gaat, omdat artikel 93 Rv familie- of alimentatiezaken bij geen enkele waarde aan de kantonrechter toewijst. Een klein maandbedrag gaat dus niet naar een kantonrechter enkel omdat het bedrag klein is.
Kunnen ouders overeenkomen dat helemaal geen kinderalimentatie wordt betaald?
Zij kunnen een dergelijke clausule opstellen, maar zij houdt geen stand. Artikel 1:400 lid 2 BW maakt overeenkomsten waarbij wettelijk verschuldigd onderhoud wordt kwijtgescholden nietig, zodat een ouder de verplichting niet kan wegcontracteren en deze later alsnog kan worden ingesteld. Ouders kunnen uiteraard een bedrag overeenkomen, en dat is normaal en wordt aangemoedigd; wat zij niet kunnen doen, is overeenkomen dat de verplichting niet bestaat.
Is een online berekening van kinderalimentatie hetzelfde als de berekening die een rechter maakt?
Nee. Elke berekening die buiten de rechtszaal wordt gemaakt, met inbegrip van alles op deze pagina, geeft gepubliceerde richtlijnen weer en beslist geen zaak. Deze cijfers zijn een indicatie op basis van de gepubliceerde tabellen van het Rapport alimentatienormen, geen berekening van wat een specifieke persoon verschuldigd is: de maatstaven behoefte en draagkracht van artikel 1:397 lid 1 BW worden toegepast door de rechter, die het bedrag in een individueel geval vaststelt. Een rechter beschikt bovendien over het volledige financiële bewijs van beide ouders, past de hoofdstukken van het Rapport toe die bijzondere omstandigheden behandelen, en kan van de aanbevelingen afwijken wanneer de zaak daarom vraagt.
Bronnen en referenties
- Artikel 1:404 BW, de onderhoudsplicht van ouders naar draagkracht(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:395a BW, kosten van levensonderhoud en studie tot 21 jaar(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:397 BW, behoefte en draagkracht als wettelijke maatstaven(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:400 BW, voorrang van kinderen en nietigheid van afstand van levensonderhoud(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:394 BW, de onderhoudsplicht van de verwekker(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:402a BW, jaarlijkse indexering van bedragen voor levensonderhoud(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:406 BW, vaststelling van het bedrag door de rechtbank(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 1:408 BW, betaling en invordering door het LBIO(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 815 Rv, het ouderschapsplan en de verplichte onderdelen daarvan(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 93 Rv, de zaken die door de kantonrechter worden behandeld(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 278 Rv, ondertekening van het verzoekschrift door een advocaat(wetten.overheid.nl).gov
- Expertgroep Alimentatienormen, Rapport alimentatienormen versie januari 2026(rechtspraak.nl).gov
- Rechtspraak, Tabel eigen aandeel kosten van kinderen (behoeftetabel) 2026(rechtspraak.nl).gov
- Rechtspraak, Draagkrachttabel alimentatie 2026(rechtspraak.nl).gov