Belediging in Nederland: Artikel 266 Sr Uitgelegd

Belediging is een strafbaar feit in het Nederlandse strafrecht, en artikel 266 Sr is het restartikel van de titel over smaad in het Wetboek van Strafrecht. Het vangt de opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt.
De grens tussen de twee ligt niet in hoe grof de woorden waren. Het gaat erom of de spreker een bepaald feit over de persoon heeft toegedicht, wat smaad vereist en wat eenvoudige belediging per definitie ontbeert.
Twee kenmerken van het artikel verrassen lezers die uit Engelstalige bronnen komen. Ten eerste kent een gewone belediging een werkelijk strafrechtelijk maximum van drie maanden gevangenisstraf of een geldboete van de tweede categorie. Ten tweede werkt het artikel veel minder vanzelf dan dat maximum doet vermoeden: het is een klachtdelict, zodat in beginsel geen vervolging volgt tenzij de beledigde persoon een klacht indient, en zelfs dan ligt de beslissing om te vervolgen niet bij hem.
Informatie voor het laatst gecontroleerd op 21 juli 2026. Deze pagina geeft algemene juridische informatie over het Nederlandse recht en vormt geen juridisch advies in een individueel geval.
Wat artikel 266 Sr precies bepaalt
Artikel 266 lid 1 Sr luidt:
Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Drie bestanddelen moeten afzonderlijk worden vastgesteld. De belediging moet opzettelijk zijn; zij mag niet het karakter van smaad of smaadschrift dragen, wat een negatief bestanddeel is en geen verweer; en zij moet een van de drie genoemde vormen aannemen.
Het maximum aan vrijheidsstraf is gevangenisstraf, omdat elk strafbaar feit in deze titel een misdrijf is en geen overtreding. De geldboete is een geldboete van de tweede categorie, behandeld in de tabel verderop.
De modaliteit is een bestanddeel, geen beschrijving
De drie vormen in lid 1 zijn alternatieven, in de tekst verbonden door hetzij, zodat een ervan volstaat, en elk daarvan heeft een eigen functie:
- in het openbaar, mondeling, bij geschrift of bij afbeelding;
- aan de persoon in diens tegenwoordigheid, mondeling of door feitelijkheden, wat ook gedrag omvat zoals een gebaar of spuwen, en niet alleen woorden;
- door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, het onderdeel dat een brief, een e-mail of een direct bericht vangt.
Een belediging die aan geen van deze drie voldoet, valt naar de letter van lid 1 niet onder het artikel. Een opmerking die in vertrouwen tegen een derde over iemand wordt gemaakt, niet in het openbaar, niet in aanwezigheid van de betrokkene en nooit aan hem toegezonden, valt buiten de tekst van het artikel, wat er verder ook van gezegd kan worden.
Lid 2: de uitzondering betreft openbare belangen
Het tweede lid haalt een categorie gedragingen geheel uit het strafbare feit. Het luidt:
Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.
De uitzondering omvat gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die niet erop zijn gericht ook in ander opzicht, of zwaarder, te grieven dan uit die strekking voortvloeit. Beide onderdelen zijn vereist, zodat kritiek op de manier waarop een publieke zaak wordt behartigd de uitzondering verliest zodra zij omslaat in een persoonlijke aanval die verder gaat dan de kritiek.
Lid 2 is geformuleerd rond de behartiging van openbare belangen en bevat geen wetenschappelijke of artistieke uitzondering. De uitzondering wordt bepaald door het doel om een oordeel te geven over hoe een publieke zaak wordt behartigd, en door de grens dat de gedraging niet erop gericht mag zijn verder te grieven dan uit dat doel voortvloeit. Die twee onderdelen vormen de gehele uitzondering.
Waar belediging eindigt en smaad begint
Wanneer de uitlating een bepaald feit toedicht met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven, is het strafbare feit smaad of smaadschrift onder artikel 261 Sr, met een hoger maximum aan vrijheidsstraf en een geldboete van de derde categorie, en wanneer de maker wist dat de toedichting onwaar was, is het laster onder artikel 262 Sr. Die grens, de exceptie van artikel 261 lid 3 Sr en de civiele route staan op de pagina over smaad en laster.
Artikel 267 Sr: de verhoging voor belediging van het openbaar gezag
Artikel 267 Sr schept geen eigen strafbaar feit. Het bepaalt dat de gevangenisstraffen die in de voorgaande artikelen van de titel zijn gesteld, kunnen met een derde worden verhoogd, wanneer de belediging is gericht tegen een van drie doelwitten:
- de Koning, de echtgenoot van de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning, diens echtgenoot, of de Regent;
- een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met uitdrukkelijke uitzondering van leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen, zodat een belediging van een lid van de Tweede Kamer, van Provinciale Staten of van een gemeenteraad niet wordt verhoogd;
- een openbaar lichaam of een openbare instelling, dus niet alleen een natuurlijke persoon.
Lid 2 stelt een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die op rechtmatige wijze zijn bediening in Nederland uitoefent, gelijk aan een ambtenaar.
Twee begrenzingen staan met zoveel woorden in de tekst. De verhoging is facultatief, omdat de wet kunnen zegt, en zij raakt uitsluitend de gevangenisstraf. De geldboetecategorie wordt in het geheel niet verhoogd, zodat eenvoudige belediging van een ambtenaar in functie nog steeds een plafond van de tweede categorie kent, terwijl het maximum van drie maanden gevangenisstraf kan oplopen tot vier maanden. Volgens dezelfde rekensom wordt het jaar van smaadschrift zestien maanden en worden de twee jaar van laster twee jaar en acht maanden.
De verhoging verandert ook de procedure. Artikel 269 lid 2 Sr laat het klachtvereiste buiten toepassing voor de gevallen van artikel 267, en lid 3 laat het buiten toepassing voor belediging van leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen, die daarmee zowel buiten de verhoging als buiten het klachtvereiste vallen; beide uitzonderingen staan op de pagina over aangifte doen van smaad.
Belediging van de Koning is geen apart strafbaar feit meer
Artikel 111, artikel 112 en artikel 113 Sr, de bepalingen over majesteitsschennis, en artikel 118 en artikel 119 Sr, die zagen op belediging van een bevriend staatshoofd of een buitenlandse vertegenwoordiger, luiden alle [Vervallen per 01-01-2020] in de geconsolideerde tekst van het wetboek.
Belediging van de Koning wordt nu vervolgd onder de gewone beledigingsartikelen van Titel XVI, met de verhoging van artikel 267 Sr als mogelijkheid. De intrekking trad in werking op 1 januari 2020, en sindsdien kent het Nederlandse recht geen apart delict van majesteitsschennis meer.
Groepsbelediging is een ander strafbaar feit in een andere titel
Artikel 266 Sr beschermt een individu. Het beledigen van een groep wordt afzonderlijk geregeld:
- Artikel 137c Sr: het zich in het openbaar, mondeling of schriftelijk, opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, godsdienst of levensovertuiging, seksuele gerichtheid of handicap. Maximum een jaar gevangenisstraf of een geldboete van de derde categorie, oplopend tot twee jaar of een geldboete van de vierde categorie onder lid 3 wanneer de persoon er een beroep of gewoonte van maakt of met twee of meer anderen handelt.
- Artikel 137d Sr: het in het openbaar aanzetten tot haat tegen, discriminatie van of gewelddadig optreden tegen mensen wegens diezelfde gronden, en ook wegens geslacht. Maximum twee jaar of een geldboete van de vierde categorie, oplopend tot vier jaar onder lid 2.
- Artikel 137e Sr: het openbaar maken van zo'n uitlating, of het toezenden van een voorwerp met een dergelijke uitlating aan iemand die daar niet zelf om heeft gevraagd, het verspreiden ervan, of het met dat doel in voorraad hebben ervan, in elk geval anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uitzondering voor zakelijke berichtgeving die in de openingswoorden is opgenomen. Het artikel bevat op het gezicht van de tekst een schuldbestanddeel: de persoon moet weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat de uitlating van die aard is (naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden), wat een onwetende doorplaatser buiten het strafbare feit houdt. Maximum zes maanden of een geldboete van de derde categorie, oplopend tot een jaar of een geldboete van de vierde categorie onder lid 2.
Deze artikelen staan in een andere titel van het wetboek, en het klachtvereiste van artikel 269 lid 1 Sr is geschreven voor belediging, strafbaar krachtens deze titel, dat wil zeggen strafbaar gesteld in Titel XVI. Naar de letter van die tekst raakt het artikel 137c tot en met 137e niet.
Artikel 270 Sr: het beledigen van een overledene
Artikel 270 lid 1 Sr stelt strafbaar wat jegens een overledene is gepleegd en als smaadschrift of smaad zou zijn aangemerkt indien die persoon nog in leven was geweest. Elk bestanddeel van artikel 261 Sr wordt zo hypothetisch overgenomen; laster wordt in het artikel in het geheel niet genoemd.
Het maximum is drie maanden gevangenisstraf of een geldboete van de tweede categorie, het niveau van eenvoudige belediging, ruim onder wat diezelfde gedraging jegens een levende persoon zou opleveren.
Lid 2 stelt een gesloten lijst vast van wie de klacht mag indienen: een bloedverwant of aangehuwde van de overledene in de rechte linie, een bloedverwant of aangehuwde in de zijlinie tot de tweede graad, dus een broer of zuster, of de echtgenoot van de overledene. De familie in ruimere zin of de nalatenschap kan niet indienen, en de civielrechtelijke positie van nabestaanden is een aparte kwestie, geregeld in Boek 6 BW en behandeld op de pagina over smaad en laster.
Artikel 271 Sr: het verspreiden of in voorraad hebben van beledigend materiaal
Artikel 271 lid 1 Sr raakt een geschrift of afbeelding met een beledigende, of jegens een overledene smadelijke, inhoud, wanneer de persoon dit verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat, of daartoe in voorraad heeft. Het met dat doel in voorraad hebben is voldoende; werkelijke verspreiding is niet vereist.
Het schuldbestanddeel ligt bewust lager dan bij laster: het is vervuld wanneer de persoon weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat de inhoud van die aard is, zodat ernstige reden tot vermoeden volstaat. Lid 2 past hetzelfde maximum toe op het in het openbaar voorlezen van de inhoud van zo'n geschrift. Beide kennen drie maanden gevangenisstraf of een geldboete van de tweede categorie.
Lid 3 bevat de sanctie die verder nergens in de titel voorkomt. Wanneer de persoon een van deze strafbare feiten in zijn beroep begaat, en er nog geen twee jaar zijn verstreken sinds een eerdere veroordeling wegens een daarvan onherroepelijk is geworden, kan de rechter hem uit de uitoefening van dat beroep ontzetten. Lid 4 maakt ook deze strafbare feiten tot klachtdelicten, op klacht van de in artikel 269 Sr en artikel 270 lid 2 Sr aangewezen personen, behalve in de gevallen van artikel 267.
Wat een geldboetecategorie in euro waard is
Elke geldboete in deze titel wordt uitgedrukt als categorie, en de categorieën worden vastgesteld in artikel 23 lid 4 Sr. De geconsolideerde tekst drukt de oudere basisbedragen af, en de bedragen die vanaf 1 januari 2026 daadwerkelijk gelden, verschijnen uitsluitend in een redactionele aantekening tussen haakjes die luidt Red: Per 1 januari 2026. De rechterkolom hieronder geeft die aantekeningen weer; de genummerde tekst van artikel 23 lid 4 Sr zelf toont nog steeds de basiskolom. Het geldende bedrag is het bedrag dat bepalend is, en het ligt ongeveer 40 procent boven het basisbedrag dat in het artikel staat afgedrukt.
| Categorie | Basisbedrag in de artikeltekst | Geldend vanaf 1 januari 2026 | Gebruikt in deze titel door |
|---|---|---|---|
| eerste | € 335 | € 550 | hier niet gebruikt |
| tweede | € 3.350 | € 5.500 | artikel 266, artikel 270, artikel 271 |
| derde | € 6.700 | € 11.000 | artikel 261 (smaad en smaadschrift beide) |
| vierde | € 16.750 | € 27.500 | artikel 262 laster, artikel 268 lasterlijke aanklacht |
| vijfde | € 67.000 | € 110.000 | hier niet gebruikt |
| zesde | € 670.000 | € 1.100.000 | hier niet gebruikt |
Artikel 23 lid 9 Sr bepaalt dat deze bedragen elke twee jaar, met ingang van 1 januari, bij algemene maatregel van bestuur worden aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex sinds de vorige aanpassing. De huidige stap is 1 januari 2026, zodat de volgende aanpassing verschuldigd is op 1 januari 2028. Het gaat hier niet om een jaarlijks geïndexeerd bedrag.
Twee verdere punten houden de tabel eerlijk. De categorie is een maximum, en artikel 24 Sr verplicht de rechter rekening te houden met de draagkracht van de verdachte, zodat de geldboete diens inkomen en vermogen niet onevenredig treft. En artikel 267 Sr, de enige verhoging in de titel, laat deze tabel ongemoeid.
Wat de beledigde persoon kan doen
Smaad, laster en eenvoudige belediging zijn klachtdelicten: op grond van artikel 269 Sr worden zij alleen vervolgd op klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.
De klachttermijn is drie maanden en loopt op grond van artikel 66 Sr vanaf de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit, niet vanaf de datum van publicatie.
Artikel 164 Sv bepaalt dat een klacht bestaat uit een aangifte samen met een verzoek tot vervolging, zodat een aangifte zonder dat verzoek mogelijk niet aan het klachtvereiste voldoet. Hoe de klacht wordt ingediend, wie haar mag indienen en wat er gebeurt wanneer het Openbaar Ministerie besluit niet te vervolgen, staat op de pagina over aangifte doen van smaad.
Een civiele vordering op grond van artikel 6:162 BW loopt onafhankelijk van de strafrechtelijke route: zij vereist geen klacht en is niet gebonden aan de klachttermijn van drie maanden. De civiele route, met inbegrip van rectificatie en schadevergoeding, staat op de pagina over smaad en laster.
Veelgestelde vragen
Is belediging een strafbaar feit in Nederland?
Ja. Artikel 266 Sr maakt van een opzettelijke belediging die niet neerkomt op smaad of smaadschrift een misdrijf, strafbaar met ten hoogste drie maanden gevangenisstraf of een geldboete van de tweede categorie. De nuance die in de praktijk telt, is procedureel: op grond van artikel 269 Sr is het een klachtdelict, zodat het alleen wordt vervolgd op klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd, en zelfs dan laat artikel 167 lid 2 Sv de vervolgingsbeslissing bij het Openbaar Ministerie.
Wat is de maximumstraf op grond van artikel 266 Sr?
Drie maanden gevangenisstraf of een geldboete van de tweede categorie. Het bedrag dat vanaf 1 januari 2026 geldt voor de tweede categorie is € 5.500, dat in de geconsolideerde tekst van artikel 23 lid 4 Sr staat als een redactionele aantekening tussen haakjes; het artikel zelf toont nog steeds het oudere basisbedrag van € 3.350. De categorie is een plafond, en artikel 24 Sr verplicht de rechter de draagkracht van de verdachte te wegen.
Wat is het verschil tussen belediging en smaad?
Smaad op grond van artikel 261 Sr vereist het toedichten van een bepaald feit met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven. Eenvoudige belediging op grond van artikel 266 Sr wordt negatief omschreven als de opzettelijke belediging die dat karakter niet draagt, wat in de praktijk neerkomt op een belediging zonder zo'n toedichting van een feit. De grens ligt in de aard van wat er is gezegd, niet in hoe kwetsend het was.
Verhoogt artikel 267 Sr de geldboete voor het beledigen van een politieagent?
Nee. Artikel 267 Sr bepaalt dat de gevangenisstraffen die in de voorgaande artikelen van de titel zijn gesteld, met een derde kunnen worden verhoogd, en de tekst noemt uitsluitend de gevangenisstraffen. De geldboetecategorie blijft ongewijzigd, zodat eenvoudige belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening nog steeds een plafond van de tweede categorie kent, terwijl het maximum aan vrijheidsstraf kan oplopen van drie naar vier maanden. De verhoging is bovendien facultatief, aangezien de wet kunnen worden verhoogd zegt.
Is belediging van de Koning nog steeds een apart strafbaar feit in Nederland?
Nee. Artikel 111, artikel 112 en artikel 113 Sr, de bepalingen over majesteitsschennis, en artikel 118 en artikel 119 Sr, die zagen op belediging van een bevriend staatshoofd of een buitenlandse vertegenwoordiger, luiden alle Vervallen per 01-01-2020 in de geconsolideerde tekst. Belediging van de Koning wordt nu behandeld onder de gewone beledigingsartikelen van Titel XVI, met de verhoging van artikel 267 Sr als mogelijkheid.
Kan iemand worden vervolgd voor het beledigen van een overleden persoon?
Artikel 270 Sr regelt gedragingen jegens een overledene die als smaad of smaadschrift zouden zijn aangemerkt indien die persoon nog in leven was geweest. Het maximum is drie maanden gevangenisstraf of een geldboete van de tweede categorie. Lid 2 stelt een gesloten lijst vast van wie de klacht mag indienen: een bloedverwant of aangehuwde in de rechte linie of in de zijlinie tot de tweede graad, of de echtgenoot van de overledene.
Wordt een enkele belediging ooit daadwerkelijk vervolgd?
Tussen een belediging en een vervolging staan twee wettelijke filters. Artikel 269 lid 1 Sr maakt van belediging strafbaar krachtens Titel XVI een klachtdelict, zodat de zaak in beginsel alleen begint als degene tegen wie het misdrijf is gepleegd een klacht indient, en lid 2 en lid 3 heffen dat vereiste alleen op voor de gevallen van artikel 267 Sr en voor belediging van leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen. Artikel 167 lid 2 Sv laat het Openbaar Ministerie vervolgens vrij om af te zien van vervolging op gronden aan het algemeen belang ontleend. Gaat een zaak wel door, dan zijn de drie maanden en de geldboete van de tweede categorie in artikel 266 Sr plafonds die artikel 24 Sr de rechter verplicht af te stemmen op de draagkracht van de verdachte, geen vaste tarieven.
Valt het beledigen van een hele groep onder artikel 266 Sr?
Nee. Groepsbelediging staat in een andere titel van het wetboek. Artikel 137c Sr regelt het zich in het openbaar opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens ras, godsdienst of levensovertuiging, seksuele gerichtheid of handicap, artikel 137d Sr regelt het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld, en artikel 137e Sr regelt het openbaar maken, toezenden, verspreiden of in voorraad hebben van zulk materiaal anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, waarbij de persoon weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het van die aard is. Het klachtvereiste van artikel 269 Sr is geschreven voor belediging strafbaar krachtens Titel XVI en raakt deze artikelen niet.
Bronnen en referenties
- Artikel 266 Sr, eenvoudige belediging en de uitzondering voor de behartiging van openbare belangen(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 267 Sr, verhoging van de gevangenisstraffen met een derde(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 269 Sr, belediging als klachtdelict en de twee uitzonderingen(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 270 Sr, belediging van een overledene en de klachtgerechtigden(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 271 Sr, verspreiden of in voorraad hebben van beledigende geschriften of afbeeldingen(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 261 Sr, smaad en smaadschrift(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 23 Sr, de zes geldboetecategorieën en de aanpassing elke twee jaar(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 24 Sr, draagkracht van de verdachte bij de vaststelling van de geldboete(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 66 Sr, klachttermijn van drie maanden(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 137c Sr, groepsbelediging(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 137d Sr, aanzetten tot haat, discriminatie of geweld(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 137e Sr, openbaar maken of verspreiden, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 111 Sr, majesteitsschennis, vervallen per 1 januari 2020(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 164 Sv, de klacht bestaat in een aangifte met verzoek tot vervolging(wetten.overheid.nl).gov