VOG terugkijktermijn 2026: de tabel met uitzonderingen uitgelegd

Een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) is geen schone-lei-toets. Justis vraagt niet of een aanvrager ooit in aanraking is gekomen met het strafrecht. Justis vraagt wat er voorkomt in de justitiële gegevens binnen een vaste periode die sluit op de dag waarop de aanvraag wordt beoordeeld.
Die periode is de terugkijktermijn, en zij is het enige feit dat bepaalt of een oude zaak nog meetelt. Voor de meeste aanvragen is dat vier jaar. Voor een kleine groep delicten geldt geen enkele grens, en voor functies met hoge integriteitseisen is het tien jaar. Een aparte bijzondere weigeringsgrond reikt twintig jaar terug, maar dat is een grond, geen categorie van functies.
De periodes staan in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025, de beleidsregels die de Minister publiceert in de Staatscourant. Zij traden op 1 juli 2025 in werking en vervingen de regels van 2024. Deze pagina behandelt de tabel, de datum waarop de klok begint te lopen, en wat er gebeurt als een veroordeling net buiten de periode valt.
Eén waarschuwing vooraf, want het is precies waar de meeste gepubliceerde samenvattingen misgaan. De veelgenoemde termen van vijf jaar en acht jaar staan helemaal niet als eigen categorie in de beleidsregels. Zij komen binnen via een aparte uitzondering die de termijn overneemt die een sectorale regeling of een vergunning al vaststelt, zodat het getal moet worden herleid tot die regeling en niet van een lijst kan worden afgelezen.
Informatie voor het laatst gecontroleerd op 21 juli 2026. Deze pagina geeft algemene juridische informatie over het Nederlandse recht en vormt geen juridisch advies in een individueel geval.
Terugkijktermijn VOG berekenen
Bepaal welke terugkijktermijn geldt en of een justitieel gegeven daar nog binnen valt. Het venster sluit op de dag waarop Justis de aanvraag beoordeelt, niet op de dag van indiening.
Terugkijktermijn: 4 jaar
Dit is de hoofdregel van paragraaf 3.1.1, geen uitzondering.
Vastgesteld in: Beleidsregels VOG-NP-RP 2025, paragraaf 3.1.1
Het venster loopt van 2022-07-21 tot 2026-07-21.
Paragraaf 3.1.2 bepaalt welke datum telt, in volgorde: de beslissing in eerste aanleg; anders de strafbeschikking; anders de in het JDS geregistreerde transactie; anders het sepot; en pas als niets daarvan beschikbaar is de pleegdatum. De pleegdatum staat achteraan, precies andersom dan de meeste aanvragers aannemen.
Bron: Beleidsregels VOG-NP-RP 2025, in werking vanaf 2025-07-01.
Deze rekenhulp geeft algemene informatie en is geen juridisch advies in een individueel geval. Zij bepaalt welke terugkijktermijn geldt en of een gegeven daarbinnen valt. Zij voorspelt de beslissing niet: de lengte van het venster is slechts de eerste stap, waarna Justis het objectieve en het subjectieve criterium van artikel 28 Wjsg toepast. Functies met een door Justis vastgestelde termijn van meer dan tien jaar zijn niet gemodelleerd, omdat de beleidsregels daarvoor geen getal noemen.
Waar de terugkijktermijn vandaan komt
Geen enkele bepaling van de Wjsg noemt een aantal jaren. De periode is beleid en geen wet, en zij staat in paragraaf 3.1.1 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025, toegepast binnen Justis door de eenheid die deze regels het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) noemen. De beslissing zelf is aan Justis.
Wat de wet wel levert, is de toets waarvoor de periode input geeft, en dat is de moeite waard om helder te stellen, omdat het vaak als beleid wordt omschreven. Artikel 28 Wjsg bouwt beide helften van de beoordeling in de definitie in: het risico voor de samenleving gelet op het gevraagde doel, en de afweging van het belang van de aanvrager zelf. Beide helften zijn wettelijk en niet enkel beleid, en het objectieve en het subjectieve criterium in de Beleidsregels werken een toets uit die de wet al bevat, in plaats van er een toe te voegen.
Wat de verklaring inhoudt en hoe de weigeringstoets wordt toegepast, staat op de Verklaring Omtrent het Gedrag.
De tabel met terugkijktermijnen
De onderstaande tabel volgt de structuur van paragraaf 3.1.1 zelf: één standaardregel, gevolgd door de uitzonderingen die zij daadwerkelijk noemt, in haar eigen bewoordingen.
| Terugkijktermijn | Van toepassing op |
|---|---|
| 4 jaar | De standaardperiode. Alles wat de onderstaande uitzonderingen niet bereiken. |
| Geen limiet | Zedendelicten: artikelen 240 tot en met 253 Sr, de genoemde voorlopers daarvan, artikel 273f Sr waar de gedraging bestaat uit dwang tot prostitutie, en artikel 140 Wetboek van Militair Strafrecht waar de gedraging een zedendelict is. Ook terroristische misdrijven en misdrijven die er de voorbereiding of vergemakkelijking van vormen, op grond van artikelen 83 en 83b Sr. |
| 10 jaar | Functies die Justis beoordeelt als functies met hoge integriteitseisen, en de justitiële gegevens die worden geraadpleegd voor een VOG politiegegevens. Paragraaf 3.1.1 onderdeel a staat bij hoge uitzondering een langere termijn dan tien jaar toe, waar Justis er een heeft vastgesteld. |
| De termijn vastgesteld elders | Waar de aanvraag verband houdt met een bijzondere wet of regeling met een andere termijn, geldt die termijn. Waar zij is gekoppeld aan een vergunning, is de termijn gelijk aan de duur van de vergunning. Dit is de route die de hieronder besproken sectorale getallen oplevert. |
| 20 jaar | De bijzondere weigeringsgrond van paragraaf 3.1.5, die Justis toestaat een oude zaak te bereiken die buiten de toepasselijke termijn ligt. |
| 2 jaar | Aanvragers die op de dag van de aanvraag nog geen 23 jaar zijn, onder de twee hieronder genoemde voorwaarden. |
| Plus tijd in detentie | De toepasselijke periode wordt verlengd met de daadwerkelijke duur van elke vrijheidsbeneming die daarbinnen is ondergaan, telkens opnieuw, totdat de periode een volledige termijn bevat zonder detentie. |
Lees dit als één standaardregel plus een gesloten lijst van uitzonderingen, niet als een menu. Paragraaf 3.1.1 stelt vier jaar als de regel en wijkt daar alleen af in de gevallen die zij noemt, zodat een functie die onder geen van de uitzonderingen valt over vier jaar wordt beoordeeld, hoe gevoelig zij ook aanvoelt.
De verkorte termijn voor aanvragers onder de 23
Paragraaf 3.1.1 onderdeel d verkort de periode tot twee jaar waar de aanvrager op de dag van de aanvraag nog geen 23 jaar is. Zij gaat uit van de leeftijd op het moment van de aanvraag, niet van de leeftijd ten tijde van het delict.
Er moet aan twee voorwaarden zijn voldaan, en gepubliceerde samenvattingen noemen doorgaans alleen de eerste. De gegevens mogen geen zedendelict, geen terroristisch misdrijf, geen ernstig geweldsdelict met een gevangenisstraf van zes jaar of meer, en geen ondermijnend (drugs)delict met zes jaar of meer laten zien. De functie mag bovendien geen aangewezen functie zijn waarvoor een VOG politiegegevens is vereist.
De toelichting bij de regels van 2025 omschrijft die laatste categorie precies, en zij is ruimer dan drugs alleen. Zij omvat deelname aan een criminele organisatie op grond van artikel 140 Sr, georganiseerde drugsdelicten op grond van artikelen 10 lid 3 tot en met 5, 10a, 11 lid 3 tot en met 5 en 11b Opiumwet, en wapenhandel op grond van artikel 55 lid 4 en lid 7 Wwm.
De verkorte termijn laat de bestaande termijnen van vijf, acht en tien jaar bovendien ongemoeid. De toelichting is expliciet dat de leeftijd van een jonge aanvrager de integriteitseisen waarop die langere termijnen berusten, niet verlaagt.
Waar de termijnen van vijf en acht jaar daadwerkelijk vandaan komen
Vijf jaar voor taxichauffeurs en acht jaar voor wapens worden voortdurend aangehaald, en zij zijn reëel. Zij staan echter niet in de algemene beleidsregels, en juist daar naar zoeken is de reden waarom de twee zo vaak door elkaar worden gehaald.
Uitzondering b is de route. Zij noemt in het geheel geen termijn: zij bepaalt dat Justis, waar een bijzondere wet of regeling een andere termijn vaststelt, die termijn volgt, en dat de termijn, waar de aanvraag is gekoppeld aan een vergunning, gelijk is aan de duur van de vergunning. Het getal moet dus telkens worden herleid tot het sectorale instrument.
Voor vergunninghoudend taxivervoer is het instrument het Besluit personenvervoer 2000. Artikel 82 lid 1 onderdeel c vereist een VOG die is afgegeven voor het beroep van taxichauffeur, niet ouder dan vier maanden, en artikel 83 lid 2 geeft de boordcomputerkaarten, waarvan de chauffeurskaart er een is, een geldigheidsduur van vijf jaar. Uitzondering b zet die geldigheidsduur van vijf jaar vervolgens om in een terugkijktermijn van vijf jaar.
Voor wapens is de acht jaar een ontlening, en de reikwijdte ervan is smaller dan de kortere aanduiding doet vermoeden. Artikel 8 lid 3 van de Regeling wapens en munitie is een geschiktheidstoets voor de aanvrager van een erkenning voor de wapenhandel of voor de daarbij aangewezen beheerder: die persoon mag de afgelopen acht jaar niet zijn veroordeeld op grond van de wapenwetgeving, de Opiumwet of een lange lijst bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht. Artikel 8 lid 4 breidt dit uit tot vergelijkbare buitenlandse veroordelingen.
De terugkijktermijn van acht jaar voor de VOG is niet die regel rechtstreeks toegepast. De toelichting bij de Beleidsregels VOG-NP-RP 2022 nam de duur over uit artikel 8 lid 3 RWM voor één doel, aanvragen die verband houden met lidmaatschap van een schietvereniging. Een baan in wapenbeveiliging is dus niet automatisch een geval van acht jaar, en beveiligingswerk in de burgerluchtvaart valt onder de EU-regels voor luchtvaartbeveiliging op vijf jaar in plaats van acht.
De termijnen van acht en tien jaar verschillen dus structureel van aard, niet enkel in duur. Acht jaar is een periode die via uitzondering b uit een andere regeling is ontleend voor een met naam genoemd doel. Tien jaar is uitzondering a op zichzelf, uitgelokt door het oordeel van Justis over de verantwoordelijkheden van de functie, en een functie kan onder de ene vallen zonder onder de andere te vallen.
De toelichting van 2022 zette de sectorale lijst op één plaats uiteen: de chauffeurskaart en de ondernemersvergunning voor taxi- en busvervoer, het beroepsgoederenvervoer, de beveiliging van de burgerluchtvaart en het lidmaatschap van een schietvereniging. De regels van 2025 herhalen die lijst niet, maar de eigen toelichting daarbij bevestigt dat de bestaande termijnen van vijf, acht en tien jaar volledig van kracht blijven, en Justis publiceert het actuele overzicht.
Langere termijnen voor een klein aantal functies
Voor rechterlijk en penitentiair personeel worden soms zeer lange termijnen genoemd. Paragraaf 3.1.1 onderdeel a staat dit toe, in één zin en niet meer dan dat: bij hoge uitzondering kan van de termijn van tien jaar worden afgeweken waar Justis een langere heeft vastgesteld.
De regels zeggen niet hoe lang, en nergens in de Beleidsregels of in de Wjsg staat een getal voor die functies. Justis houdt het actuele overzicht bij van functies met een afwijkende termijn, zodat voor zo'n functie een gepubliceerd overzicht het gezaghebbende gegeven is, en niet een getal dat uit de tweede hand wordt aangehaald.
Wat een screeningsprofiel is, en wat het daadwerkelijk bepaalt
Het screeningsprofiel wordt vaak omschreven als het gegeven dat de terugkijktermijn bepaalt. Dat is niet precies wat het doet, en het verschil is de moeite waard om goed te begrijpen.
Paragraaf 3.1.3.3 van de Beleidsregels licht het mechanisme toe. Het risico voor de samenleving wordt via functieaspecten uitgesplitst naar risico's voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, het besturen van een organisatie, en personen. Een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke profielen werken die risico's in detail uit.
Het profiel bepaalt dus relevantie, niet duur. Het vertelt Justis welke delicten deze specifieke functie zouden kunnen belemmeren, en dat is de kern van het objectieve criterium in paragraaf 3.1.3. De lengte van de terugkijktermijn wordt afzonderlijk vastgesteld door paragraaf 3.1.1.
Beide raken elkaar op één punt. Waar het profiel een functie beschrijft met grote verantwoordelijkheden of verstrekkende bevoegdheden, kan Justis haar behandelen als een functie met hoge integriteitseisen, en dat oordeel is wat de termijn van vier jaar naar tien jaar verschuift.
Twee kenmerken van het objectieve criterium verrassen aanvragers, en beide staan onomwonden in paragraaf 3.1.3.2. Het is niet relevant dat het delict zich in het privéleven en niet op het werk heeft voorgedaan, en het is niet relevant of er enig reëel herhalingsrisico bestaat. De toets is hypothetisch: zou deze gedraging, als zij zich zou herhalen, deze functie belemmeren.
Paragraaf 3.1.3.5 voegt een verdere route toe, het rode draad criterium. Aan het objectieve criterium kan zelfs worden voldaan waar geen enkele afzonderlijk relevante vermelding binnen de periode is aangetroffen, als de vermeldingen samen een negatief beeld geven van de integriteit van de aanvrager.
Het criterium kent twee voorwaarden en aan beide moet zijn voldaan. Er moet sprake zijn van een reeks veroordelingen, eindezaakverklaringen, transacties, strafbeschikkingen, lopende zaken of voorwaardelijke of onvoorwaardelijke sepots, en er moet ten minste één relevante vermelding in de gegevens van de aanvrager liggen buiten de terugkijktermijn.
Welke datum de klok laat lopen
De lengte van de periode kennen is slechts de helft van de berekening. Paragraaf 3.1.2 legt vast op welke datum een vermelding wordt gemeten, in een strikte volgorde van voorkeur.
De eerste van de volgende data die beschikbaar is, wordt gebruikt: de datum van de beslissing in eerste aanleg; bij gebreke daarvan de datum waarop het Openbaar Ministerie de strafbeschikking heeft uitgevaardigd; bij gebreke daarvan de transactiedatum zoals geregistreerd in het JDS; bij gebreke daarvan de datum waarop het Openbaar Ministerie besloot de zaak te seponeren; en alleen bij gebreke van dit alles, de pleegdatum.
Er zijn twee afwijkingen van die volgorde. Waar meer dan twee jaar zijn verstreken tussen de pleegdatum en de datum die de lijst opleverde, geldt in plaats daarvan de pleegdatum, tenzij het gaat om een zedendelict, een terroristisch misdrijf of een fraudedelict. En voor diezelfde drie categorieën geldt, waar de zaak nog loopt, de datum waarop de zaak bij het Openbaar Ministerie is aangebracht en in het JDS is ingevoerd.
Het praktische gevolg is dat een trage vervolging een zaak niet automatisch dieper in de periode duwt. Een tenlastelegging uit 2021 waarover pas in 2024 is beslist, wordt in de meeste categorieën gemeten vanaf 2021, omdat er meer dan twee jaar zijn verstreken.
Een uitgewerkt voorbeeld, van begin tot eind
Neem een aanvrager die is veroordeeld voor eenvoudige mishandeling op grond van artikel 300 Sr. Het delict werd gepleegd op 4 januari 2021, de politierechter deed uitspraak op 12 maart 2021, en er werd een geldboete opgelegd. De aanvraag wordt beoordeeld op 15 september 2026.
Stap een: welke datum telt. Paragraaf 3.1.2 onderdeel a legt haar op de datum van de beslissing in eerste aanleg, 12 maart 2021. Er liggen slechts ongeveer twee maanden tussen de pleegdatum en de uitspraak, zodat de tweejaarsomkering niet van toepassing is en 12 maart 2021 blijft staan.
Stap twee: welke termijn geldt. De aanvraag is voor een functie in een magazijn zonder bijzondere integriteitseis, zonder wapenelement, zonder vervoersvergunning en zonder zedendelict of terroristisch misdrijf in de gegevens, en de aanvrager is 31 jaar. De standaardtermijn van vier jaar is van toepassing.
Stap drie: de periode aftekenen. Vier jaar terug vanaf 15 september 2026 opent de periode op 15 september 2022. De vermelding staat op 12 maart 2021, ongeveer achttien maanden voordat de periode opent, zodat zij buiten de toepasselijke termijn valt en niet wordt meegewogen onder het objectieve criterium.
Verander nu telkens één feit.
Als de functie hoge integriteitseisen zou dragen, wordt de termijn tien jaar en opent de periode op 15 september 2016. Dezelfde vermelding uit 2021 valt nu ruim binnen die periode, en het objectieve criterium wordt er volledig op toegepast.
Als de aanvrager op 15 september 2026 22 jaar zou zijn geweest, zou de termijn worden verkort tot twee jaar, met opening van de periode op 15 september 2024. Eenvoudige mishandeling is geen geweldsdelict met een strafbedreiging van zes jaar of meer, zodat de verkorte termijn beschikbaar is.
Als in 2023 een gevangenisstraf van zes maanden zou zijn uitgezeten, zou de vierjaarsperiode worden verlengd met die zes maanden, en met elke verdere periode van detentie, totdat zij vier volle jaren bevat zonder vrijheidsbeneming. Een periode op papier is niet hetzelfde als een periode in de werkelijke tijd voor iemand die heeft vastgezeten.
Als ook een tweede, relevante vermelding uit 2025 zou verschijnen, houdt de vermelding uit 2021 op irrelevant te zijn. Paragraaf 3.1.1 verplicht Justis om, zodra een relevante vermelding binnen de termijn is gevonden, ook elke andere relevante vermelding buiten de termijn in aanmerking te nemen.
Wat er gebeurt als de veroordeling ouder is dan de periode
Dit is de vraag die de tabel niet op zichzelf beantwoordt, en het antwoord bestaat uit drie delen.
Waar niets relevants binnen de toepasselijke termijn valt, schrijven de Beleidsregels voor dat de VOG in beginsel wordt afgegeven. Paragraaf 3.1.5 opent met precies die stelling: de verklaring wordt verleend waar de aanvrager niet in de justitiële gegevens voorkomt binnen de termijn, of voorkomt met een vermelding die te licht is om een weigering te rechtvaardigen.
Dat is een uitgangspunt en geen belofte. Twee zaken kunnen een oudere zaak alsnog weer in beeld brengen.
De eerste is de reeds beschreven inhaalregel. Eén relevante vermelding binnen de periode opent de deur naar elke relevante vermelding daarbuiten, en die oudere vermeldingen voeden de belangenafweging en de inschatting van het risico op een nieuw delict, ook al kunnen zij op zichzelf geen weigering dragen.
De tweede is de bijzondere weigeringsgrond van paragraaf 3.1.5, die andersom werkt. Zij is van toepassing waar niets binnen de termijn een weigering rechtvaardigt, maar een vermelding daarbuiten ernstig genoeg is dat, gelet op het doel van de aanvraag en het risico voor de samenleving, de belemmering van de functie te groot wordt geacht.
Die grond is strikt begrensd. De gegevens van de twintig jaar voorafgaand aan de aanvraag moeten ofwel een delict laten zien met een strafbedreiging van twaalf jaar of meer waarvoor de aanvrager een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of jeugddetentie, terbeschikkingstelling, of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen heeft gekregen; of een delict gericht tegen een kind, waar de VOG wordt gevraagd voor een functie in de omgang met kinderen.
Een enkele oude veroordeling voor een minder ernstig delict valt dus niet onder deze grond. Zij is bedoeld voor het kleine aantal zeer ernstige zaken waarin een mechanische periode van vier jaar een uitkomst zou opleveren die de wet niet zou kunnen dragen.
De VOG politiegegevens kent in het geheel geen terugkijktermijn
Naast de gewone VOG bestaat een tweede spoor. Op grond van artikel 35a Wjsg weigert de Minister voor functies die bij ministeriële regeling zijn aangewezen en een hoge mate van integriteit vereisen, de verklaring waar politiegegevens verbanden laten zien tussen de aanvrager en delicten die een risico vormen voor de functie. Die functies staan vermeld in de Regeling aanwijzing functies VOG politiegegevens, die uitvoering geeft aan artikel 35a lid 1 Wjsg.
Voor het justitiële-gegevensdeel van een VOG P is de termijn tien jaar, omdat een aangewezen functie per definitie een functie met hoge integriteitseisen is. Voor het politiegegevensdeel is paragraaf 3.2.1 expliciet dat in het geheel geen terugkijktermijn wordt toegepast.
Wat de politiegegevens begrenst, is geen periode maar het bewaarregime van de Wet politiegegevens, samen met de beperking in artikel 35a lid 3 Wjsg tot gegevens die zijn verwerkt op grond van artikelen 8, 9, 10 lid 1 onderdelen a en c, en 13 Wpg. Gegevens over de aanvrager als slachtoffer, aangever of getuige zijn niet relevant voor de beoordeling en worden daarvoor niet verstrekt.
Artikel 35a lid 4 Wjsg stelt bovendien een Adviescommissie VOG-Politiegegevens in, die de kwaliteit en zorgvuldigheid van die beslissingen toetst en daarover jaarlijks rapporteert.
Waar dit past in het proces
Artikel 37 lid 1 Wjsg geeft de Minister vier weken om te beslissen op een aanvraag van een natuurlijke persoon, en artikel 37 lid 2 verlengt dat tot acht weken waar het voornemen bestaat te weigeren. Justis stelt dat de doorlooptijd niets zegt over de uitkomst. De gepubliceerde termijnen, en wat te doen bij een lang stilzwijgen, staan op hoe u een VOG aanvraagt.
Een voorgenomen weigering komt binnen als een voornemen en niet als een definitieve beslissing, en daarop kan worden gereageerd voordat de beslissing wordt genomen. De weigeringstoets zelf, en de bezwaar- en beroepsroute die daarop volgt, staan op de Verklaring Omtrent het Gedrag.
Voor wat daadwerkelijk in de justitiële gegevens wordt vastgelegd, en voor hoe lang, zie Nederlandse justitiële gegevens en het JDS. Het bredere overzicht van wie wat beslist, staat op achtergrondonderzoeken in Nederland.
Veelgestelde vragen
Hoe ver kijkt Justis terug voor een VOG?
Vier jaar in het gewone geval. Paragraaf 3.1.1 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 stelt vier jaar als standaard en noemt daarna vijf uitzonderingen: geen limiet voor zeden- en terroristische misdrijven, tien jaar voor functies met hoge integriteitseisen, de termijn vastgesteld in een bijzondere wet of regeling of de duur van de vergunning, twintig jaar voor de bijzondere weigeringsgrond van paragraaf 3.1.5, en twee jaar voor aanvragers onder de 23. Een zesde regel verlengt de toepasselijke periode met de tijd die daadwerkelijk in detentie is doorgebracht.
Loopt de termijn van vier jaar vanaf het delict of vanaf de veroordeling?
Normaal gesproken vanaf de uitspraak. Paragraaf 3.1.2 neemt de datum van de beslissing in eerste aanleg, bij gebreke daarvan de datum van de strafbeschikking, bij gebreke daarvan de transactiedatum zoals geregistreerd in het JDS, bij gebreke daarvan de datum van de sepotbeslissing, en pas als laatste redmiddel de pleegdatum. Er is één omkering: waar meer dan twee jaar zijn verstreken tussen de pleegdatum en die beslissingsdatum, geldt in plaats daarvan de pleegdatum, tenzij het gaat om een zedendelict, een terroristisch misdrijf of fraude.
Mijn veroordeling is ouder dan de terugkijktermijn. Wordt zij genegeerd?
Alleen als er niets relevants binnen de periode valt. Waar een relevante vermelding wordt gevonden binnen de toepasselijke termijn, schrijven de Beleidsregels Justis voor om ook elke andere relevante vermelding buiten de termijn in aanmerking te nemen. Die oudere vermeldingen wegen op zichzelf te licht om de VOG te weigeren, maar zij voeden het subjectieve criterium en de inschatting van hoe waarschijnlijk een nieuw delict is.
Maakt een gevangenisstraf de terugkijktermijn langer?
Ja. Waar de aanvrager tijd heeft doorgebracht in detentie of onder een vrijheidsbenemende maatregel binnen de relevante periode, wordt de termijn verlengd met de daadwerkelijke duur van die vrijheidsbeneming, en die verlenging wordt telkens opnieuw toegepast voor elke verdere periode, totdat de periode vier jaar (of de toepasselijke langere termijn) bevat waarin in het geheel geen vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden.
Is de terugkijktermijn korter als ik destijds onder de 18 was?
De verkorte termijn gaat uit van de leeftijd op het moment van de aanvraag, niet de leeftijd ten tijde van het delict. Een aanvrager die op de dag van de aanvraag nog geen 23 jaar is, wordt beoordeeld over twee jaar in plaats van vier. Die verkorte termijn is niet van toepassing waar de gegevens een zedendelict, een terroristisch misdrijf, een geweldsdelict met zes jaar of meer, of een ondermijnend (drugs)delict met zes jaar of meer laten zien, wat de toelichting omschrijft als artikel 140 Sr, de georganiseerde Opiumwet-delicten en artikel 55 lid 4 en lid 7 Wwm. Zij is evenmin van toepassing op de bestaande langere termijnen van vijf, acht en tien jaar, noch op een aangewezen functie waarvoor een VOG politiegegevens is vereist.
Welke functies krijgen de terugkijktermijn van tien jaar?
Functies die Justis beoordeelt als functies met grote verantwoordelijkheden of verstrekkende bevoegdheden, waarbij misbruik van die bevoegdheden ernstige gevolgen zou hebben. De Beleidsregels stellen de termijn op tien jaar en voegen toe dat diezelfde tien jaar geldt voor de justitiële gegevens die worden geraadpleegd voor een VOG politiegegevens, omdat een aangewezen VOG P-functie per definitie een functie met hoge integriteitseisen is. Justis publiceert de actuele lijst van die functies.
Bepaalt het screeningsprofiel hoe ver Justis terugkijkt?
Nee. Het screeningsprofiel geeft aan welke risico's de functie draagt, verdeeld over categorieën zoals informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, het besturen van een organisatie en personen, en dat bepaalt welke delicten als relevant gelden. De lengte van de terugkijktermijn wordt afzonderlijk vastgesteld door paragraaf 3.1.1. Beide raken elkaar waar een functie wordt behandeld als een functie met hoge integriteitseisen, omdat dat oordeel de termijn van vier jaar naar tien jaar verschuift.
Wordt naast het strafblad ook een politieregistratie gecontroleerd?
Voor een gewone VOG draait de beoordeling op justitiële gegevens, al staat artikel 36 Wjsg toe dat ook politiegegevens worden geraadpleegd. Voor de aangewezen functies met hoge integriteitseisen die staan vermeld in de Regeling aanwijzing functies VOG politiegegevens, vormen politiegegevens een zelfstandige weigeringsgrond op grond van artikel 35a Wjsg. Op politiegegevens wordt in het geheel geen terugkijktermijn toegepast: wat beschikbaar is, wordt uitsluitend beheerst door de bewaarregels van de Wet politiegegevens.
Bronnen en referenties
- Beleidsregels VOG-NP-RP 2025, paragraaf 3.1.1: periode terugkijktermijn justitiële gegevens(wetten.overheid.nl).gov
- Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 zoals bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2025, 19538)(zoek.officielebekendmakingen.nl).gov
- Artikel 28 Wjsg, definitie van de verklaring omtrent het gedrag(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 29 Wjsg, de beslissing geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3 lid 2 Awb(wetten.overheid.nl).gov
- Artikelen 30 en 31 Wjsg, indiening van de aanvraag bij de burgemeester of rechtstreeks bij Onze Minister(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 35 Wjsg, weigeringsgrond en de uitzondering voor een onherroepelijke vrijspraak(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 35a Wjsg, VOG politiegegevens voor aangewezen functies en de Adviescommissie VOG-Politiegegevens(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 36 Wjsg, kennisneming van justitiële gegevens en politiegegevens bij het onderzoek(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 37 Wjsg, beslistermijn van vier weken en acht weken bij een voorgenomen weigering(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 8 Regeling wapens en munitie, de termijn van acht jaren bij veroordelingen(wetten.overheid.nl).gov
- Regeling aanwijzing functies VOG politiegegevens, uitvoering van artikel 35a lid 1 Wjsg(wetten.overheid.nl).gov
- Artikelen 82 en 83 Besluit personenvervoer 2000, VOG-eis voor de taxichauffeur en de geldigheidsduur van vijf jaar van de boordcomputerkaarten(wetten.overheid.nl).gov
- Beleidsregels VOG-NP-RP 2022 (ingetrokken), toelichting met de sectorlijst van afwijkende terugkijktermijnen voor chauffeurskaart, beroepsvervoer en schietvereniging (Stcrt. 2022, 17343)(zoek.officielebekendmakingen.nl).gov
- Dienst Justis, Verklaring Omtrent het Gedrag: wat de VOG is en wie hem afgeeft(justis.nl).gov