VOG: wat de verklaring omtrent het gedrag verklaart en wanneer zij wordt geweigerd

De Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) is het document dat Nederlandse werkgevers vragen, en bijna even vaak het document dat Nederlandse aanvragers verkeerd begrijpen. Het is geen uitdraai van een strafblad, en het zegt niet dat iemand er geen heeft.
Artikel 28 Wjsg geeft de volledige definitie, en die is enger dan de reputatie doet vermoeden. De verklaring houdt in dat uit een onderzoek naar het gedrag van de betrokken persoon, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren.
Vrijwel alles wat het systeem doet, volgt uit een nauwkeurige lezing van die zin. Deze pagina legt haar uit: wat de verklaring verklaart, wat Justis daadwerkelijk raadpleegt, hoe de tweeledige toets werkt, en wat er gebeurt als het antwoord nee is.
Informatie voor het laatst gecontroleerd op 21 juli 2026. Deze pagina geeft algemene juridische informatie over het Nederlandse recht en vormt geen juridisch advies in een individueel geval.
Wat de verklaring verklaart, en wat niet
Het doel maakt deel uit van de verklaring. Een verklaring wordt afgegeven in verband met het doel waarvoor zij is gevraagd, en is dus een antwoord over een functie, een taak of een vergunning, niet een algemeen karakterverslag.
Dat heeft een gevolg dat weinigen verwachten. Dezelfde persoon kan voor de ene functie een geldige verklaring hebben en voor de andere op dezelfde dag, op basis van dezelfde gegevens, worden geweigerd, zonder dat er iets is misgegaan.
De verklaring bevat bovendien geen detail. Er is geen score, geen cijfer en geen lijst van wat er is aangetroffen, want de uitkomst is uitsluitend dat er niet is gebleken van bezwaren. Het document zelf onthult niets over het dossier van de aanvrager aan de werkgever.
Waar binnen de toepasselijke termijn niets relevants naar voren komt in de justitiële documentatie, bepalen de Beleidsregels dat de verklaring in beginsel wordt afgegeven. Zijn er wel gegevens, dan beslist de hierna beschreven beoordeling.
Een beschikking, geen document
Artikel 29 Wjsg doet op papier iets kleins en in de praktijk iets groots: het bepaalt dat de beslissing over de afgifte van een verklaring geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3 lid 2 Awb.
Die ene zin haalt de gehele Algemene wet bestuursrecht (Awb) binnen. Een motivering, de gelegenheid om te worden gehoord voorafgaand aan een weigering, een bezwaarfase, beroep bij de rechter en hoger beroep zijn daarvan allemaal het gevolg, en geen gunst van Justis.
Het bepaalt ook wie de wederpartij is. De beslissing wordt genomen door de Minister van Justitie en Veiligheid via Justis, zodat een aanvrager de staat aanvecht, niet de werkgever die om de verklaring heeft gevraagd.
Wanneer een verklaring verplicht is
Voor sommige functies is een verklaring wettelijk verplicht. Justis noemt als voorbeelden leraren, gastouders in de kinderopvang en taxichauffeurs, en de overheid stelt vast voor welke beroepen die verplichting geldt.
Buiten die functies is het aan de werkgever. Geldt er geen wettelijke verplichting, dan beslist de werkgever zelf of hij al dan niet om een verklaring vraagt.
De doelen gaan verder dan werk. Justis noemt visa, vergunningen en emigratie, en het lidmaatschap van een schietvereniging, naast betaald werk, stages, opdrachten als zelfstandige en vrijwilligerswerk.
Voor rechtspersonen bestaat een aparte variant. De verklaring voor rechtspersonen (VOG rechtspersonen, VOG RP) onderzoekt het justitiële verleden van de rechtspersoon zelf en van haar bestuurders, vennoten en leidinggevenden, en wordt gebruikt bij contracten en bij het lidmaatschap van brancheorganisaties. Artikel 32 lid 2 Wjsg bepaalt wat een dergelijke aanvraag moet bevatten, waaronder het KvK-nummer of, bij gebreke van een inschrijving, de naam, de rechtsvorm en de vestigingsplaats van de rechtspersoon.
Wat Justis raadpleegt
De kernbron is de justitiële documentatie, het register dat mensen bedoelen als zij het over een strafblad hebben. Artikel 36 lid 1 Wjsg staat de Minister toe kennis te nemen van justitiële gegevens over de aanvrager en van politiegegevens, en lid 3 laat toe dat nadere informatie wordt ingewonnen bij het Openbaar Ministerie en bij de reclassering.
Twee categorieën vallen buiten de beoordeling. Artikel 35 lid 3 Wjsg sluit feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak volledig uit van de beoordeling, en de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 sluiten technische sepots uit, waarbij procedurele omstandigheden een succesvolle vervolging in de weg stonden, terwijl beleidssepots wel meetellen.
De beleidsregels maken ook uitdrukkelijk duidelijk dat meer dan veroordelingen kunnen meetellen. Paragraaf 3.1.3.1 noemt de inhoud van een dagvaarding, een kennisgeving van verdere of niet verdere vervolging, een eindezaakverklaring en beleidssepots als zaken die een rol kunnen spelen.
Politiegegevens komen via een andere weg binnen, en dat verschil is van belang. Artikel 36 lid 1 Wjsg geeft een bevoegdheid tot raadpleging en geen weigeringsgrond, zodat politiegegevens bij een gewone aanvraag het onderzoek kunnen voeden zonder de beslissing te dragen. Alleen voor de aangewezen functies met een hoge mate van integriteit van artikel 35a Wjsg vormen politiegegevens een zelfstandige weigeringsgrond.
Artikel 36 lid 4 Wjsg sluit dit alles af: gegevens die voor dit doel zijn verstrekt, mogen voor geen ander doel worden gebruikt.
De tweeledige toets
Dit is de kern van het onderwerp, en het onderdeel dat de meeste samenvattingen tot een zin terugbrengen, terwijl het in werkelijkheid twee afzonderlijke vragen zijn die na elkaar worden gesteld.
Het objectieve criterium
Artikel 35 lid 1 Wjsg formuleert de regel: de Minister weigert de afgifte indien in de justitiële documentatie een strafbaar feit voorkomt dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring wordt gevraagd in de weg zou staan.
De Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 splitsen dat op in vier elementen: een justitieel gegeven, de aanname van herhaling, een risico voor de samenleving, en een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of activiteit.
Twee kenmerken van deze stap verrassen aanvragers regelmatig, en de beleidsregels zeggen beide met zoveel woorden. Of het feit in de privésfeer plaatsvond, is niet relevant, en of er een reëel recidiverisico bestaat, is dat evenmin. De vraag is hypothetisch: zou de samenleving risico lopen als dit of een vergelijkbaar feit werd gepleegd door iemand die deze functie uitoefent.
Het subjectieve criterium
Is aan het objectieve criterium voldaan, dan is weigering alleen het uitgangspunt. De beleidsregels bepalen dat het belang van de aanvrager bij het verkrijgen van de verklaring kan opwegen tegen het belang van de samenleving bij bescherming tegen het zojuist vastgestelde risico, en in dat geval wordt de verklaring alsnog afgegeven.
Die tweede helft is wettelijk verankerd en niet louter beleid, en juist dat maakt haar aanvechtbaar in bezwaar. Artikel 28 Wjsg vereist dat de beslissing wordt genomen na afweging van het belang van betrokkene, zodat de Beleidsregels een afweging uitwerken die de wet al voorschrijft, en niet een eigen afweging toevoegen.
Drie omstandigheden worden altijd meegewogen: de wijze van afdoening van de strafzaak, de hoeveelheid verstreken tijd, en het aantal antecedenten. Was de aanvrager minderjarig ten tijde van het feit, dan wordt ook dat meegewogen.
Laten die factoren nog een gerede twijfel bestaan, dan mogen de beleidsregels ook de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd bij de beoordeling betrekken.
Op twee terreinen is deze tweede stap bewust smal. Bij zedendelicten in een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie, of op een locatie met kwetsbare personen, en bij terroristische misdrijven in vergelijkbare functies, passen de beleidsregels een verscherpt toetsingskader toe waarvan weigering het uitgangspunt is, en kan een verklaring vervolgens alleen worden afgegeven waar weigering evident disproportioneel zou zijn.
Hoe ver de beoordeling terugkijkt
Alleen gegevens binnen de terugkijktermijn worden bij het objectieve criterium meegewogen. Paragraaf 3.1.1 van de Beleidsregels stelt die termijn op vier jaar, teruggerekend vanaf het moment van beoordeling, en wijkt daarvan alleen af in de daar genoemde uitzonderingen.
Een punt verdient het om apart te worden gezet, want het wordt vaak door elkaar gehaald. Het screeningsprofiel bepaalt niet de lengte van de termijn: het bepaalt welke feiten relevant zijn voor deze specifieke functie, en de lengte wordt afzonderlijk vastgesteld door paragraaf 3.1.1. De twee raken elkaar alleen waar een profiel Justis ertoe brengt een functie te behandelen als een functie met een hoge mate van integriteit, en dat oordeel is wat de termijn van vier naar tien jaar verschuift.
De volledige tabel, elke uitzondering die de beleidsregels noemen, de datum waarnaar elk gegeven wordt gemeten, en een uitgewerkt voorbeeld, staan op de terugkijktermijnen voor de VOG.
De variant met politiegegevens, en continue screening
Artikel 35a Wjsg schept een tweede, strenger instrument voor functies die bij ministeriële regeling zijn aangewezen omdat zij een hoge mate van integriteit vereisen. Daar vormen politiegegevens op zichzelf een zelfstandige weigeringsgrond, en wordt op die gegevens in het geheel geen terugkijktermijn toegepast. Welke functies zijn aangewezen, en wat de gegevens in plaats van een termijn begrenst, staat op de terugkijktermijnen voor de VOG.
In de kinderopvang en voor houders van een taxipas geldt een ander mechanisme. De Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 beschrijven continue screening, waarbij Justid, de justitiële informatiedienst, doorlopend nagaat of het Justitieel Documentatie Systeem is gewijzigd en signalen doorgeeft.
Justis beoordeelt die signalen vervolgens aan dezelfde objectieve en subjectieve criteria. Concludeert Justis voorlopig dat er een belemmering bestaat voor een behoorlijke uitoefening van de functie, dan informeert zij de betrokken toezichthouder, en die toezichthouder beslist of de persoon om een nieuwe verklaring wordt gevraagd.
Inzage in uw eigen gegevens
Een aanvrager hoeft niet te gissen naar wat er is vastgelegd. Artikel 18 Wjsg geeft een recht op inzage: op schriftelijk verzoek aan de Minister volgt binnen zes weken een bevestiging of over deze persoon justitiële gegevens worden verwerkt, en zo ja, een overzicht daarvan. Artikel 22 Wjsg voegt daar rechten op rectificatie, vernietiging en afscherming aan toe.
Hoe dat verzoek wordt gedaan, wat het overzicht moet bevatten, en de wettelijke bewaartermijnen van de artikelen 4 en 6 Wjsg staan op het Nederlandse strafblad en het JDS.
Als Justis voornemens is te weigeren
Een negatieve uitkomst komt in twee stappen tot stand, en dat is de reden waarom artikel 37 lid 2 Wjsg Justis acht weken geeft in plaats van vier, waar zij voornemens is negatief op een aanvraag te beslissen.
De eerste stap is het voornemen tot afwijzen. Artikel 4:7 Awb verplicht een bestuursorgaan de aanvrager de gelegenheid te geven een zienswijze naar voren te brengen voordat een aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, waar die afwijzing zou steunen op feiten en belangen die de aanvrager betreffen en die afwijken van wat de aanvrager zelf heeft aangevoerd. Het voornemen vermeldt de termijn om te reageren.
De tweede stap is de beslissing zelf. Artikel 7:1 Awb vereist bezwaar bij Justis voordat een gang naar de rechter openstaat, en artikel 6:7 Awb geeft daarvoor zes weken, gerekend vanaf de dag na de bekendmaking van de beslissing op grond van artikel 6:8 Awb.
Van daaruit openen artikel 8:1 en artikel 8:6 Awb beroep bij de bestuursrechter, die op grond van artikel 8:7 lid 2 Awb de rechtbank is in het arrondissement waar de aanvrager woont. Artikel 8:105 lid 1 Awb stuurt een hoger beroep naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In elke stap geldt een termijn van zes weken.
Geldigheid, en betaalde hulp bij de aanvraag
De verklaring kent geen geldigheidsduur. Justis legt uit dat de beoordeling een momentopname is, zodat wanneer een nieuwe verklaring nodig is, wordt bepaald door de werkgever of door het ministerie dat verantwoordelijk is voor de sectorregels, en niet door het papier zelf.
Justis waarschuwt bovendien voor commerciële partijen die extra kosten in rekening brengen voor het voorbereiden van een VOG-aanvraag, en stelt dat dit de aanvrager niets oplevert in snelheid of behandeling.
De praktische kant van het aanvragen, met de routes, de kosten, de doorlooptijd en die waarschuwing in volle omvang, staat op hoe u een VOG aanvraagt. Het bredere systeem staat op achtergrondonderzoeken in Nederland, en het overzicht van het Nederlandse recht geeft de omringende structuur.
Veelgestelde vragen
Wat is een VOG?
Een Verklaring Omtrent het Gedrag is een beslissing van de Minister van Justitie en Veiligheid, afgegeven door Justis, die verklaart dat uit een onderzoek naar het gedrag van een persoon niet is gebleken van bezwaren tegen het uitoefenen van een bepaalde functie of het bereiken van een bepaald doel door die persoon. Artikel 28 Wjsg koppelt drie zaken aan elkaar in die beslissing: het risico voor de samenleving, het specifieke doel waarvoor is aangevraagd, en een afweging van het eigen belang van de aanvrager.
Kan ik een VOG krijgen met een strafblad?
Een strafblad bepaalt de uitkomst niet op zichzelf. Artikel 35 Wjsg vereist weigering alleen waar een feit in de justitiële documentatie, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de aangevraagde functie zou belemmeren gelet op het risico voor de samenleving. Artikel 28 Wjsg vereist vervolgens dat het eigen belang van de aanvrager tegen dat risico wordt afgewogen, en de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 werken die afweging uit, met inachtneming van de wijze van afdoening, de verstreken tijd en het aantal antecedenten.
Telt een oud feit in de privésfeer mee tegen een VOG?
In de eerste stap wel. De Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 bepalen dat het bij de toepassing van het objectieve criterium niet relevant is dat het feit in de privésfeer plaatsvond, en dat het evenmin relevant is of er een reëel recidiverisico bestaat. Beide overwegingen horen thuis bij de tweede stap, waar de verstreken tijd en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd tegen het risico worden afgewogen.
Geldt een VOG voor de ene functie ook voor de andere?
Nee. Artikel 28 Wjsg koppelt de verklaring aan het doel waarvoor zij is gevraagd, zodat zij een vraag over een functie, taak of vergunning beantwoordt en geen algemeen karakterverslag is. Dezelfde persoon kan voor de ene functie een geldige verklaring hebben en voor de andere worden geweigerd, op dezelfde gegevens en op dezelfde dag. De verklaring zelf bevat geen score, geen cijfer en geen lijst van wat is aangetroffen, en onthult dus niets over het onderliggende dossier.
Hoe lang is een VOG geldig?
De verklaring kent geen eigen geldigheidsduur. Justis legt uit dat de beoordeling een momentopname van een moment is, zodat hoe vaak een nieuwe verklaring nodig is, wordt bepaald door de werkgever of door het ministerie dat verantwoordelijk is voor de regels in die sector. Voor sommige sectoren, waaronder de kinderopvang en het taxivervoer, geldt in plaats daarvan continue screening.
Hoe kom ik erachter wat er in Nederland op mijn strafblad staat?
Artikel 18 Wjsg geeft een recht op inzage. Een schriftelijk verzoek aan de Minister, in de praktijk behandeld door Justis, levert binnen zes weken een bevestiging op of over de betrokkene justitiële gegevens worden verwerkt, en zo ja, een overzicht daarvan. Artikel 22 Wjsg voegt daar een recht aan toe om rectificatie, vernietiging of afscherming te vragen, met een antwoord binnen vier weken.
Wat kan ik doen als mijn VOG wordt geweigerd?
Justis geeft eerst een voornemen tot afwijzen af, en artikel 4:7 Awb geeft de aanvrager de gelegenheid een zienswijze naar voren te brengen voordat de beslissing definitief wordt. Wordt de verklaring geweigerd, dan vereist artikel 7:1 Awb bezwaar bij Justis voordat een gang naar de rechter openstaat, en artikel 6:7 Awb stelt daarvoor een termijn van zes weken. Na de beslissing op dat bezwaar openen artikel 8:1 en artikel 8:6 Awb beroep bij de bestuursrechter, met hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op grond van artikel 8:105 Awb.
Bronnen en referenties
- Artikel 28 Wjsg, definitie van de verklaring omtrent het gedrag(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 29 Wjsg, de beslissing geldt als beschikking in de zin van de Awb(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 35 Wjsg, weigeringsgrond en uitsluiting van onherroepelijke vrijspraak(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 35a Wjsg, VOG politiegegevens voor aangewezen functies en de Adviescommissie(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 36 Wjsg, raadpleging van justitiële gegevens, politiegegevens, OM en reclassering(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 18 en artikel 22 Wjsg, recht op kennisneming binnen zes weken en op rectificatie(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4 en artikel 6 Wjsg, vernietigingstermijnen voor misdrijven en overtredingen(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 37 Wjsg, beslistermijn van vier weken, acht weken bij voorgenomen afwijzing(wetten.overheid.nl).gov
- Beleidsregels VOG-NP-RP 2025, paragraaf 3.1.3, het objectieve criterium(wetten.overheid.nl).gov
- Beleidsregels VOG-NP-RP 2025, paragraaf 3.1.4, het subjectieve criterium en het verscherpt toetsingskader(wetten.overheid.nl).gov
- Beleidsregels VOG-NP-RP 2025, paragraaf 3.1.1, terugkijktermijn, en paragraaf 2.2, continue screening(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 4:7, artikel 6:7, artikel 6:8 en artikel 7:1 Awb, zienswijze en bezwaar(wetten.overheid.nl).gov
- Artikel 8:1, artikel 8:6, artikel 8:7 en artikel 8:105 Awb, beroep en hoger beroep(wetten.overheid.nl).gov
- Justis, Wat is een VOG: wettelijk verplichte functies, kosten en geldigheid(justis.nl).gov
- Justis, Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG): verwerkingstijd en waarschuwing voor commerciële partijen(justis.nl).gov